Dansen op de maan

Charlene Winne (Gistel, 1990) stond begin februari op het grote podium van de Dag van het Woord in Harelbeke. Juryleden Willy Spillebeen, Herman Leenders en Maarten De Pourcq vonden haar inzending voor de jaarlijkse poëziewedstrijd de beste bij de jongeren. Bekende laureaten als Bernard Dewulf, Peter Verhelst en Frank Pollet gingen haar voor. Meanderredacteur Sylvie Marie was erbij en stelde het nieuwe talent enkele vragen.

Als aan jou gevraagd wordt één regel uit een gedicht van je te noemen, ter kennismaking, welke regel zou dat dan zijn?
‘Want wat je onthouden hebt, ben je onderweg op de één of andere manier nooit echt kwijtgeraakt.’

Waarom net die regel?

Ik schrijf om de chaos in mijn hoofd te ordenen, flarden van wat ik gelezen en gezien heb. Herinneringen en losse woorden en zinnen stormen er steeds rond. Bovenal ben ik bang om te vergeten, soms zelfs een geur of een voorwerp uit het verleden. Mijn gedichten zijn dan ook altijd een mix van het nu en van wat achter me ligt.

Is de angst om te vergeten ook dat wat jou tot het schrijven heeft aangezet?
Niet echt. Op de lagere school was ik geabonneerd op het krantje Zonnekind. Ik was zo’n jaar of negen toen ik daarin een gedicht las van een meisje. Omdat ik er ongelooflijk van onder de indruk was, probeerde ik meteen daarna ook een gedicht te schrijven. Ik gaf het de naam ‘Maanmeisje’. Zoals de titel al voor deel verraadt, ging het over een meisje dat ervan droomde om te dansen op de maan.

Dat was het eerste gedicht. Hoe ging het verder?

Mijn ouders en vriendinnen wisten dat ik gedichten schreef, maar de bal ging pas aan het rollen toen ik in het derde middelbaar laureaat was bij Doe Maar Dicht Maar. Een beetje bedeesd vertelde ik het aan mijn leraar Nederlands. Hij was zo enthousiast dat hij me bleef stimuleren om met mijn gedichten naar buiten te komen. Sindsdien nam ik deel aan verschillende wedstrijden en droeg ik mijn gedichten geregeld voor. Het motiveerde me enorm om de inkt niet te laten drogen en vooral verder te gaan met schrijven.

Trad je ook al op met je gedichten?
Tijdens Gedichtendag heb ik enkele gedichten voorgedragen op het poëziefestival Knettervers. Dat was een totaal nieuwe ervaring voor mij. Toen ik de ‘professionele dichters’ aan het werk zag, besefte ik goed dat ik nog veel te leren heb. Andere optredens zitten er niet meteen in. Ik sta al niet graag in de spotlights en mijn gedichten lenen zich er niet echt voor, vind ik. Wanneer je op een podium staat, moet het publiek je gedicht meteen begrijpen en bij mijn gedichten is dat niet altijd het geval.

Schrijf je naast poëzie ook andere dingen? Proza bijvoorbeeld, of columns?
Ik volg momenteel de lerarenopleiding Nederlands en Geschiedenis en daarvoor moet ik geregeld in de pen kruipen. Kortverhalen, columns en recensies zijn al de revue gepasseerd. Gedichten schrijven blijft echter mijn grote passie – in een relatief korte tekst kun je immers je hele ziel verwerken. Daarnaast droom ik er wel van om een historische jeugdroman te schrijven. Samen met mijn vriendin heb ik een kortverhaal geschreven dat we willen uitwerken. De plot en de wendingen hebben we al in ons hoofd, we hebben enkel de tijd nodig om het op papier te zetten.

Als je Harelbeke wint, is dat geweldig. Durf je ergens over te dromen?
Een eigen bundel staat zeker op mijn verlanglijstje. Niet per se voor het grote publiek, maar vooral omdat er dan iets van mezelf in mijn boekenkast zou staan. Zoals ik eerder al aangaf, wil ik een historisch jeugdboek uitgeven. Paul Kustermans is mijn grote voorbeeld. Verder wil ik graag in de voetsporen treden van mijn oud-leerkrachten Nederlands en de lees- en schrijfmicrobe doorgeven aan mijn leerlingen. Niet alleen zodat de toekomstige generatie verzekerd zou zijn, maar vooral omdat je van schrijven gelukkiger wordt. 

 

Geplaatst in Interviews.