WP 99 – Van liefde en koude min

Een dichtgenootschappelijke bundel

door Joop Leibbrand

Er zullen in den lande ongetwijfeld meer poëziewerkgroepen zijn die min of meer gestructureerd en door professionele dichters begeleid, dichtgenootschappelijk actief zijn, maar het Groningse WP 99 presteert het om nu al voor de derde keer met een gezamenlijke bundel naar buiten treden. In 2003 met Poëzie op sokkels, in 2005 met Suiker en de meest recente is Van liefde en koude min.
In die jaren veranderde de groep enigszins van samenstelling, maar er is een kern van vijf dichters. In volgorde van bekendheid zijn dat Nina Werkman, Atze van Wieren, Liesbeth Cavé, Anna van der Laan en Erik Raven. Een constante is ook Remco Ekkers, die in elke bundel wordt bedankt voor zijn inbreng; in de laatste bundel wordt tevens aan Albertina Soepboer, Wouter Godijn en Tonnus Oosterhoff dank gezegd. Het is duidelijk dat de groep de dichtzaken serieus aanpakt en de mogelijkheden tot supervisie gretig benut.

Voor Van liefde en koude min leverden zeven dichters ieder zeven gedichten. Zo’n democratische samenstelling is voor een club natuurlijk een vereiste, maar voor een bundel levert dat het gevaar op dat de mindere goden in goede bedoelingen blijven steken en het niveau omlaag brengen. Hier valt dat mee, al is het duidelijk dat met name Nina Werkman, voor Antidata (uitg. Holland) genomineerd voor de C. Buddingh’-prijs 2010, de bundel draagt. Zij is ook de enige die aan het centrale thema van de bundel recht doet en een bepaalde erotische spanning weet op te roepen, zoals in het vriendelijk speelse ‘Doen en laten’:

DOEN EN LATEN

Beginnen met de mond – na blikken, handen
natuurlijk – beginnen met de lippen open
te doen: proeven wat binnen is, de adem
delen, de lauwe smaak van water. Zachtjes

geluiden maken uit de keel, over de wang
naar boven stelen, de kaaklijn, tot het oor,
de weke slaap – niet aan de ogen nog, niet
dat hij schrikt – Beginnen met een vinger

achter het boord naar voren, een knoopje
doen maar hem de haakjes laten, de gesp
en wat er is aan tijd; beginnen zachtjes
in te likken daar waar het wijkt.

Een beetje helpen bij wat anderzijdig wrikt
en vooral zachtjes verder gaan, als spelen,
zachtjes vooral, voor alles niet te snel want
dan raakt hij verloren.

Ook de rest van haar bijdrage is zeer de moeite waard, met name ‘Van wind en rag’ (‘ik ben van wind en/ rag, een zomerdag, hoe het begint;’) en vooral ‘Cristina Branco: sensus’, een soort fado die met grote intensiteit het liefdesspel verbeeldt.

Atze van Wieren publiceerde eerder een veel geprezen vertaling van Rilke’s De elegieën van Duino (2006) en eigen poëzie in Grondstof (2006, beide bij uitg. IJzer). Hij is als dichter een vakman en misschien koos hij er daarom wel voor het thema in een aantal gedichten te ironiseren. Het resultaat is wisselend. In ‘Spel’ blijkt het aaien en strelen nogal flauw de poes te betreffen die haar melk krijgt (en iedere dubbelzinnigheid is trouwens ver te zoeken), in ‘Etiket’ dreigt de Liebfraumilch van Mädchentraube te transformeren in een Zeller Schwarze Katz en in ‘Recept’ handelt het inderdaad om een recept, van warme appel met kers. Lekker, en met de belofte van méér, maar vergezocht. In ‘Witstaart’ echter zingt hij zo de lof van een weelderige natuur: ‘O heerlijke witbloemigen/ witgouden donsvlinders/ wiegende witvoetigen/ met wild de witpluim daarboven’ en dan voel je iets van een geluksroes. ‘Aan zee’ is het enige gedicht dat de verbeelding aan het werk zet, maar dat doet het dan ook overtuigend: een complete liefdesroman met onbekende afloop.

AAN ZEE

Terloopse aanrakingen
vragen verhoogde waakzaamheid.

Grensgebied.

Ik wijs op gevaren:
de aangevreten zeemeeuw
in nylon verward,
de krab zonder scharen.

Duinen, zegt ze, zie je de duinen,
hoe de helm meebuigt in de wind?

Ze rent al voor me uit.

Bij Liesbeth Cavé valt de ernst op waarmee zij het onderwerp tegemoet treedt, alsof er een moeizame worsteling aan ten grondslag ligt. Haar beeldspraak is soms weinig gelukkig, zoals in dit titelloze gedicht:

De conventies uitgetrokken

is ze naakt als een stad
die elke storm overleven zal
gewapend met de slagen
die ze heeft afgeweerd

op haar huid het vel
van mannen die in haar
sponzig binnenste kwamen
verdwenen – opnieuw knijpt ze
zich uit, is zij zichzelf genoeg

onderweg nam het lichaam
een jonge vrouw mee
naakt zoals het was.

Als laatste dient dan nog Marja van der Veen vermeld te worden, die opvallend pretentieloos schrijft. Het zou best eens zo kunnen zijn, dat zij zich van allen het minst heeft laten coachen, want de eenvoudige, maar o zo krachtige en directe gedichtjes komen authentiek over. Dit is een zeer geslaagde:

KRINGEN

Zoenen wil ik je
pal op je mond
en dan
kringen draaien
net als vader vroeger
met de rook van zijn sigaar.

Acht kringen wil ik
en dan
mijn vinger erin.

Over het geheel genomen een aardige bundel, voorbeeldig door Monnier uitgegeven. De dichters van WP 99 bestaan!

 

Geplaatst in Recensies.