Stoeien met rijk materiaal

Onlangs verscheen bij uitgeverij Lannoo De mooiste van Baudelaire. Meander sprak met vertaler Jan Pieter van der Sterre over dit Franse poëziefenomeen, wiens werk ook in de 21ste eeuw nog niets aan kracht heeft ingeboet.

BaudelaireNa De mooiste van Apollinaire heeft u nu De mooiste van Baudelaire vertaald. Beide dichters behoren tot de absolute dichterstop. In hoeverre is hun beider werk aan elkaar verwant?
Baudelaire (1821-1867) en Apollinaire waren allebei grote vernieuwers. Ze probeerden uit hoeveel rek er in de poëzie zat, waar de grenzen lagen en wat er gebeurde als die werden overschreden. Apollinaire sleutelde zowel aan de vorm als aan de inhoud, Baudelaire vooral aan de inhoud. Anderzijds hielden beiden vast aan de traditie. Je kunt dus stellen dat ze er allebei naar streefden het oude met het nieuwe te combineren.
Beiden vonden ook inspiratie in de beeldende kunst. Baudelaire had een verdienstelijk schilder kunnen worden als hij voor die discipline had gekozen; Apollinaire, die overigens ook een beetje heeft geschilderd, ging met veel moderne beeldend kunstenaars van zijn tijd om en probeerde hun werk en hun vernieuwingen te begrijpen en te transponeren naar de taal. Allebei schreven ze ook legio kunstkritieken. Dat artistieke oog had uiteraard gevolgen voor hun poëzie.
Ook zijn in beider werk weerslagen te vinden van de onrustige tijd waarin ze leefden. Apollinaire aan het begin van de vorige eeuw, toen de kunsten op hun kop stonden, de moderne ontwikkelingen als luchtvaart en elektriciteit ingang vonden, maar ook de Eerste Wereldoorlog ontstond en huishield. Baudelaire maakte de revolutie van 1848 mee, en ontpopte zich eerst als revolutionair, later als aartsreactionair.

En zijn er ook verschillen?
Het verschil lag in hetgeen ze in hun dichtwerk probeerden te overstijgen. Het toeval wil dat met name Baudelaire voor Apollinaire de traditie vertegenwoordigde. Bij Baudelaire rijmt alles keurig en hebben alle gedichten een regelmatig ritmisch schema – dat overigens wel varieert. Apollinaire komt los van de vaste vorm; hij gooit het ritme en het rijm geheel of gedeeltelijk overboord, met als resultaat het moderne vrije vers. Daarnaast ondernam hij experimenten met de lay-out, tekende / schreef calligrammes (een soort hybride van tekenkunst en poëzie) en gedichten vol ready-mades. Zelfs het declameren pakte hij aan: hij liet op een podium drie mensen tegelijk een gedicht voordragen, waardoor een soort poëtische polyfonie ontstond. Je kon het zo gek niet bedenken of Apollinaire probeerde het uit. Maar terwijl het experimenteren hem in het bloed zat, bleef de traditie, en dan vooral Baudelaire, de basis waarheen hij regelmatig en trouw terugkeerde.
Baudelaires werk had een andere achtergrond. Het vormt het hoogtepunt van de romantiek en wijst tegelijk een weg daaruit. Wie het naadje van de kous wil weten leze de inleiding van de bundel, geschreven door prof. Maarten van Buuren. Hij weet alles en legt het prachtig uit. Onder meer blijkt daar dat de romantici graag uit de werkelijkheid vluchtten. Bij voorkeur heel romantisch op een schip togen ze graag naar exotische streken, waarvoor ze verre oorden kozen – ‘ver’ in geografische afstand of in de tijd: de Griekse en Romeinse wereld. Van beide treffen we diverse voorbeelden bij Baudelaire aan, dus palmenstranden naast Venus, alleen voegt hij geregeld navrante details in.
Baudelaire is vaker navrant; diverse van zijn gedichten horen tot de zogeheten knekelpoëzie, en die valt weer onder de zwarte romantiek. Deze richting heeft macabere bijdragen aan de literatuur geleverd; het doel was choqueren, het middel de beschrijving van lichamelijk en geestelijk lijden. Een van de bekendste zwarte romantici was Barbey d’Aurevilly, die zijn romans en verhalen graag doorspekte met verschrikkelijke wonden, verminkingen en angsten, op het lachwekkende af. Bekend is uiteraard ook markies De Sade, die het vooral in gewelddadige seks en ander sadisme zocht – meer schokkend dan lachwekkend. Baudelaire schrijft graag verheerlijkend of ironiserend over de dood, het bederf van het lichaam, het lelijke van de mens. Zijn bekendste knekelpoëem is ‘La charogne / Het kadaver’, dat een rottend lijk beschrijft, inclusief maden, stank en gesis.
Langs welke wegen zocht Baudelaires de weg uit de romantiek? Als eerste kunnen we het modernisme noemen. Modernisme was, in Baudelaires eigen woorden, ‘het vergankelijke, het vluchtige, het toevallige, de ene helft van de kunst, waarvan de andere helft het eeuwig onveranderlijke is’. Dit aspect zien we bijvoorbeeld weerspiegeld in Baudelaires gedichten van de straat. De dichter loopt door de stad en beschrijft de drukte die hij ziet, de tram, de vuilniswagen, een plein dat opnieuw wordt ingericht, inclusief rondslingerende bouwmaterialen en herrie. Voorts lopen er in de gedichten allerlei oude mannetjes en oude vrouwtjes rond, alsmede de obligate dronkenlappen en dellen: we mogen in dergelijke gevallen met een gerust hart van ‘poëzie van de straat’ spreken.
Dan is er natuurlijk het decadentisme, de kunst om in schoonheid te sterven, waar een verfijnde losheid der zinnen en verwijfd gedrag bij hoort. Decadent gedrag vertonen onder meer dandy’s, tot welke soort Baudelaire behoorde; zij willen zich buiten de wereld stellen maar kunnen niet zonder hun medemens, anders valt er niemand te choqueren. Een typisch decadent element dat in de literatuur terechtkwam is ‘spleen’, vrij te vertalen als ‘melancholie’ of ‘depressie’. Baudelaire schreef vier gedichten met die titel, en die worden vaak geciteerd in artikelen over deze kwalen. Hij leed er zelf aan en heeft een en ander fraai en herkenbaar onder woorden gebracht.
Een derde richting is het symbolisme. Baudelaires besluit om Edgar Poe te vertalen is daar ook al een bewijs van. Binnen zijn dichtwerk kunnen we er één duidelijk voorbeeld van vinden, maar dat is dan meteen ook wel zo ongeveer zijn beroemdste gedicht: ‘Correspondances / Overeenstemming’. Daarin grijpt de waarneming van geluid, beeld en geur in elkaar.

Kunt u hier een paar verzen van Baudelaire noemen die u in het bijzonder geraakt hebben?
Bijna alle gedichten, bijna alle coupletten hebben wel plekken die me zeer dierbaar zijn, een gevolg van het jarenlange werken eraan. Ik ben tweemaal een maand in mijn eentje op vakantie gegaan met amper leesvoer, maar wel dat stapeltje Baudelairevertalingen. Dan zat ik vele uren tegenover zuidelijke landschappen en zonsondergangen in alle rust te stoeien met al dat rijke materiaal. Van veel zinnen uit de bundel herinner ik me waar en hoe ze tot stand kwamen, welke versies aan de huidige voorafgaan, welk woord de oplossing gaf, of welke klanken elkaar opriepen. Ja, ik houd nu van Baudelaires poëzie niet alleen door de schoonheid van het origineel, door het werk van de dichter, maar ook door het werk van de vertaler, die elk vers honderden keren in zijn handen heeft gehad.
Niettemin hebben sommige gedichten nog een extra persoonlijke waarde omdat ze op ooit muziek werden gezet. Ik ben van oorsprong pianist, heb veel zangers begeleid en zelf ook een beetje gezongen, waardoor juist die becomponeerde gedichten in mijn bloed zijn gaan zitten. Ik hoor er onmiddellijk de noten bij. Ook van Apollinaire zijn veel gedichten in ‘mélodies’ getransformeerd, in de eerste plaats door Francis Poulenc. Bij Baudelaire was de componist vooral Henri Duparc. Hoogtepunt is daarbij voor mij ‘Invitation au voyage / Ga met mij mee op reis’. Dat kan ik niet lezen zonder dat de machtig stuwende noten van Duparc in mijn hoofd gonzen. Romantische muziek laat me veelal koud, maar enkele Duparcliederen horen tot de uitzonderingen. Probeer overigens niet de Nederlandse tekst op zijn noten te plakken, ik ben niet zover gegaan om dat kloppend te maken; het was zo moeilijk genoeg.
‘Invitation au voyage / Ga met mij mee op reis’ is trouwens ook anderszins een bijzonder gedicht. Baudelaire experimenteert hier met het ritme: regels van vijf en van zeven lettergrepen wisselen elkaar in een vaste volgorde af. Dat ritme was ongewoon, maar niet nieuw: de dichter ontleende het aan oude voorbeelden. Bij hardop lezen hoor je een prikkelende onregelmatigheid; Duparc heeft daar overigens toch een keurige vierkwartsmaat onder gezet. En wellicht is het aardig om te weten dat het land waarvan Baudelaire in dit gedicht zo’n romantisch beeld schildert… Nederland is. De dichter had destijds afgesproken met een vriendin naar Amsterdam te reizen. De reis ging niet door, maar het gedicht voor de vrouw was al af. De gegevens over het beoogde maar gemiste reisdoel haalde Baudelaire uit het werk van collega’s die wel in Amsterdam waren geweest…

U koos bij Baudelaire voor een vertaling zonder rijm. Waarom?
Ja, al vrij vroeg in het vertaalproces besloot ik het rijm te laten vallen. Er moeten bij dit soort poëzie erg veel nuances worden weergegeven en je kunt je jezelf als vertaler makkelijk overvragen. Er is het rijm, er is het strenge ritme, dat wil zeggen meestal de alexandrijn, zes jamben met middenin een rustpunt, er is de werking van de klank – en dan is er ook nog een keer het verhaal van het gedicht, dat op een bepaalde manier in een bepaalde vorm is gegoten. En al die elementen moeten uiteindelijk één hecht, consistent geheel vormen. Dus eerst knip je alles in stukjes, daarna plak je het allemaal weer aan elkaar, en in het eindresultaat moeten de samenstellende delen volledig versmolten zijn.
Het was traditie in Nederland om bij Baudelairevertalingen alle technische vormeisen te honoreren. Maar in mijn ogen bleef de vertaling veelal ver van het origineel verwijderd. Om als vertaler niet te stikken besloot ik één eis te laten vallen: het rijm. Als compensatie heb ik meer klankrijm ingevoegd. De grotere vrijheid stelde mij tot mijn genoegen in staat dichter bij de tekst te blijven en de geest van de maestro dichter te benaderen.
In het voorwoordje van de bundel leg ik ook uit dat ik het niet zo erg vond om juist het rijm los te laten. Rijm is voor mij niet het mooiste van poëzie. Het is vaak stijf, gedwongen, opgelegd. Andere bouwelementen lijken mij belangrijker, in de eerste plaats het ritme – misschien komt dat wel door mijn verleden als musicus, daar was ik ook altijd bezig over het ritme – en de klank.
Maar nu kan ik een verkeerde indruk wekken. Ik ken veel prachtige rijmende poëzie, veel dichters staan ver boven de materie en laten het rijm hun tekst een meerwaarde verlenen; neem Nijhoff, neem Stephan George in zijn Duitse Baudelairevertaling, neem Shakespeare. Het is bovendien voor de vertaler ook erg leuk, spannend en lekker moeilijk om met rijm aan de gang te gaan, maar ik heb bij Baudelaire (en elders) simpelweg gemerkt dat je ook te veel van jezelf kunt vergen. In de beperking toont zich de meester, en in het geval van Baudelaire heb ik van die keuze geen spijt.

Geplaatst in Interviews en getagd met .