Sasja Janssen – Wie wij schuilen

Een haast Mulischiaans spel met betekenissen

door Joop Leibbrand

Over Papaver, Sasja Janssens eerste bundel, waren de critici vrij eensgezind in hun mening. Zo wees Edwin Fagel op haar ‘wat hoekige, agressieve en ook zinnelijke taalgebruik – waar dikwijls een groot plezier in de klanken uit spreekt, haar vaak grimmige, gewelddadige beelden, licht absurdisme.’ Emily Kocken stelde ‘een nauwelijks te beteugelen onrust’ vast die door deze bundel raast. ‘Papaver biedt een op het eerste gezicht prettig gestoorde wereld, een bijna behekste microkosmos. Janssen dicht zinnelijk, jongleert met klanken en motieven.’ Ook volgens Arie van den Berg sprak uit die eerste poëziebundel een heel eigen idioom: ‘zinnelijke woordbouwsels’ die nieuwsgierig maken naar een volgende bundel. Iets wat hij overigens noteerde in zijn bespreking in NRC Handelsblad van Wie wij schuilen, Janssens tweede.

Op Contrabas besprak Chrétien Breukers in zijn serie ‘Het eerste gedicht’ ook het openingsgedicht van Wie wij schuilen. Regel voor regel gaat hij ‘Verlaat’ na, maar vanaf de eerste regel stelt hij vast: ‘Begrijpen doe ik het niet’, ‘weer een mededeling die niet meteen te bevatten is’, ‘niet meteen helder’ – om vervolgens in het zoeken naar betekenis in het spoor van de dichter ronduit baldadig te worden. Maar, zegt Breukers, ‘het is muzikaal, geheimzinnig, uitnodigend’, ‘kortom, het is poëzie.’ Hij besluit zijn bespreking met: ‘Het gedicht stelt daarnaast iets interessants aan de orde: begrip is niet altijd noodzakelijk, bij het lezen van poëzie, hoewel een poëzielezer altijd zoekt naar iets dat hij kan begrijpen. Dit gedicht zal zich onttrekken aan de dorre klauw van literatuurwetenschappers en recensenten, omdat het in zichzelf iets is, omdat het een poëtische kern heeft. En daar kan een literatuurwetenschapper of een recensent niets mee.’

Wie wij schuilen bevat precies vijftig gedichten, ondergebracht in vijf afdelingen van wisselende omvang: ‘Wij’, ‘Waartoe wij’, ‘De lucht hangt los van ons, met zilver’, ‘Wij zijn een bijwerking van het heelal’ en ‘Wij wensen halt auf verlangen’. Een bundel dus over ‘wij’ die ‘ons’ zijn, over de ‘ons’ die wij zijn, al gaat het in het grootste deel van de gedichten toch gewoon om een ‘ik’.

Het Engelstalige motto dat Janssen de bundel meegeeft, is van Mark Strand, de eerste vijf regels van het gedicht ‘The idea’ uit The Continuous Life (1990). In de vertaling van Wiljan van den Akker & Esther Jansma (te vinden in Mark Strand Gedichten eten, De Arbeiderspers 2006): Ook wij koesterden een wens om iets te bezitten/ Voorbij de wereld die we kenden, voorbij onszelf, voorbij/ Ons voorstellingsvermogen, maar wel iets waarin/ We misschien onszelf konden zien, en dit verlangen verscheen/ Altijd in voorbijgaan, in tanend licht en in een kou’.

Janssen borduurt in de bundel duidelijk voort op die hier geïntroduceerde ‘wij’ die door het oerverlangen gedreven worden om ooit in het licht der eeuwigheid de uiteindelijke, diepste zin van het bestaan te leren kennen. Maar vooral op hoe het in Strands ‘The Idea’ verder gaat: De nachtwind spoort ‘Wij’ aan terug te gaan naar de plek waar ‘wij’ horen: ‘En daar verscheen, met gloeiende vensters,/ Klein, in de bevroren verte, een huisje/ En we stopten, verbaasd dat het er stond./ We zouden erheen zijn gegaan en de deur hebben geopend,/ De gloed zijn binnengestapt en ons hebben verwarmd/ Als het niet van ons was geweest door niet van ons te zijn/ En leeg moest blijven. Dat was het idee.’

Zin, doel, bestemming, wat dan ook, het is er door er juist niet te zijn en dan alleen nog door aan dat ‘niet’ altijd weer opnieuw invulling te geven – een haast Mulischiaans spel met betekenissen, waarin het raadsel wordt opgelost door het te vergroten.

Wie wij schuilen is een merkwaardige titel. Het werkwoord schuilen is onovergankelijk, dus die ‘wie’ kunnen niet ‘geschuild’ worden. Breukers suggereert in zijn bespreking ‘wie’ op zijn Duits-Limburgs op te vatten als ‘hoe’. Een argument voor deze lezing vinden we in de titel van de laatste afdeling, met dat nadrukkelijke ‘auf’. Een oplossing is ook ‘schuilen’ te lezen als ‘verbergen’, of hier zelfs een samentrekking te veronderstellen: ‘Wie schuilen (er)? Wij schuilen!’

Duidelijk is wel dat Janssen niet van plan is het de lezer makkelijk te maken; vanaf het begin daagt ze hem uit en ze zit dan duidelijk in het kamp van bijvoorbeeld Gerbrandy, Langelaar, Verzett en Lampe, Frans Kuipers soms ook, de luidkeelse omroepers van intens met betekenis geladen taalbouwsels, evenwichtskunstenaars in de nok van het taalcircus, die het voor coherentie in hun gedichten zonder het vangnet van de direct zichtbare, parafraseerbare logische consistentie kunnen stellen, omdat iedere onnavolgbare beweging en iedere val de act vervolmaakt.

Verlaat

Wij verlaten ons. Wij geven ons niet terug, kom nou.
Er staat nog wat hondenmelk in de ijskast, vergeet
dat niet, we zijn zo zonde en hangen ons op aan de
donkergroene dag.

Als er niets over is, dan spijt dat ons niet meer.
O, kijk ook nog even in de dekenkist, daar lag een keer
een hert. Als het leeft, blieft het géén hondenmelk, alleen
wij weten hoe gezond dat is, wat weet een hert daarvan.
Zeg het dat wij niet meer weten wat het lust om
te leven, dan kunnen wij er niets aan doen.

Sommigen zullen denken dat wij in de zuilen van de bomen
verblijven, wie zoiets denkt heeft te veel verhaaltjes gelezen.
Dat is niet meer van onze tijd.
En ja, wij komen terug zonder ons.
Dag hemel in cipressenrouw. Dag hemelende cipres.

Allereerst de titel. Van Dale geeft voor verlaat als substantief ‘schutsluis’, ‘algemene naam voor inrichtingen tot geregelde lozing of afvoer van water’. Een plek dus van overgang, waar sprake is van een soort doortocht. Van schepping via zondeval naar een tijd zónder mensheid? Als bijwoord heeft het de betekenis van te laat gekomen door opgehouden te zijn. Passen wij wel in onze tijd? ‘Wij verlaten ons’, opent het gedicht. Zijn we inderdaad ‘te laat’ voor onze tijd? Of hebben wij onszelf verlaten, zo definitief dat wij ons niet aan onszelf teruggeven? En hebben we daarom de door ons beheerste natuur (het hert in de dekenkist) niets te bieden? Het leven biedt nog maar weinig perspectief, maar het lijkt ons onverschillig te laten. Als wij uit de schepping verdwijnen, zullen er geen goden zijn om ons als in de Metamorfosen van Ovidius terug te toveren.

Maar met meer recht zou je in die ‘wij’ ook de goden kunnen lezen, die zich definitief van de aarde hebben teruggetrokken. Andere gedichten uit de eerste afdeling geven daar namelijk duidelijke aanwijzingen voor, zoals het boeiende ‘Leidtonen’, het derde gedicht van de bundel.

Leidtonen

Soms worden wij uit de collectie gehaald
voor korte tijd, het is een karige bedoening zonder
ons, wij zijn alles of niets, niets mis mee
zolang het u aangaat, maar als de schappen stil
liggen, beginnen de litanieën
daar zingen wij niet graag tegenop.

[…]

Het komt voor dat een ander warenhuis ons
in de kasten legt, wij lachen schril en blijven
maar u komt voor een hogere prijs!
Wij willen u niet doof en worden weer mak met u
als ons eindpunt, neem ons niet kwalijk neem ons toch kwalijk
dat ook wij even dachten een leven te hebben.

Goden hebben hun begin- en eindpunt in de mens, maar bestaan, hoe onderhevig ze ook aan de geloofsmode zijn en hoe weinig ze een eigen leven hebben, niettemin onafhankelijk van hem. Listig stelt Janssen de Drostespiegeltjes zo op, dat de reflecties je gevangen houden. ‘Vergeef ons niet, wij raken wel eens meer mens kwijt/ onze tijd komt nog wel’, staat er in ‘Hoe wij ook waren’….

Ook in de tweede afdeling, ‘Waartoe wij’, lijken de goden centraal te staan. ‘Scheppingsputsch’ handelt over alle verschijningsvormen die het goddelijke in het menselijk voorstellingsvermogen kan aannemen, die van dieren uitgezonderd, omdat die zich immers geen goden voorstellen. Verder gaat het in deze afdeling over de willekeur van de goden, de mens die aan hen ondergeschikt is (in gedichten onder de Vromanachtige titel ‘Systeembeheer’), ‘een meisje met het schortje’ (Eva), ‘de zoon van de minimal composer’ (Christus) en dat laatste in een gedicht waarin aan het eind sprake is van een soort omgekeerde consecratie: ‘Als ik al mijn alsen roer in een roemer, dan drinkt de zoon mij/ op en ben ik een proeve van inlossing als ik dat zeg als ik dat wil/ als ik dat tel.’

Veel lastiger om in door te dringen is de afdeling ‘De lucht hangt los van ons, met zilver’. Wij en ik lijken soms hemelwezens, soms zwervers, ontheemden, verdwaald in de wereld, verdwaald in de tijd. ‘Wij zijn een bijwerking van het heelal’ zet dit aanvankelijk voort:

Ik spiraal

Nooit kruip ik uit de navel, ik loop in rechte lijn
mijn armen zijn hemdsmouwen want het wordt kouder
ik ben te laat maar op tijd
die ijswolken dat naakte huis dat glasgroen ben ik goed hier?

[…]

Ze zijn bang voor mij want ik kom niet terug
ik ben alomtegenwoordig maar het scheelt mij niets
meer een groot voordeel wanneer je zelf de kaart bent
de straten naar de uitgang, de knoop die de dingen de maat neemt.

Gaandeweg zie je echter een wending naar het persoonlijke komen, zoals in ‘In de schemerige namiddag maak ik het bed van mijn vader op’, waarvoor het dan wel nodig is dat hij ‘s nachts drie keer opstaat uit zijn dood. Er komen persoonlijke herinneringen, anekdotes uit de kindertijd, een beschrijving van een vrouwelijke ik-figuur (‘Wilde vinex’), waarin je als lezer met enige graagte de dichteres zelf in zou willen herkennen: ‘Ik draai mijn loop./ Ik ben een verschrikkelijk organisme dat uitverkiest./ Ik ben koningsblauw./ Ik sta in wilde schoonheid.’

In de laatste afdeling, ‘Wij wensen halt auf verlangen’, staat voor een groot deel de erotiek centraal. Soms met veel zelfspot, zoals in ‘In voorbereiding’: ‘Voor vanavond: borsten klaarleggen, stijfsel niet nodig/ het spleen onder de lakens met kamfer/ het speelgoed van kind naar bijkeuken kind ook’. Soms onvervalst lyrisch met precies de juiste melancholieke ondertoon:

In duinen

In een bunker verlieven wij ons in de kou van de vloer
blauw zo wit was jouw oog dat mij naakte.
Dit hadden wij vaker gedaan, in woud, in wateren

in zeezand, in bedden zoveel, maar nooit zo precies.
Hoe kun je iets zoeken als je het niet verliest?
Kom, wij lachen, wij roven terwijl het ons ontglipt.

Wat een formidabele bundel.

*****
Sasja Janssen (1968) studeerde Nederlandse Taal- en Letterkunde en geeft taalles en inburgeringscursussen aan anderstaligen. Zij publiceerde de romans De kamerling (2001) – critici durfden de vergelijking met Rosenboom en Vestdijk aan – en Teresa zegt (2005). In 2007 debuteerde ze als dichter met de bundel Papaver. Twee gedichten daaruit werden opgenomen in de bloemlezing De 100 beste gedichten van 2007.

 

Geplaatst in Recensies.