Poëzie zonder rafelrand

Jan de Bruyn (1959) publiceerde onlangs in Het Liegend Konijn, een van de belangwekkendste poëzietijdschriften in het Nederlands taalgebied. Zijn publicatie kwam in die zin uit de lucht vallen, dat De Bruyn een relatief onbekende figuur in de poëziewereld is. Tijd om deze dichter van sprookjes nader te introduceren.

Hoe kwam je publicatie in Het Liegend Konijn tot stand?
Tijdens de zomer verschenen een aantal van mijn gedichten in De Brakke Hond en Gierik/NVT. Ik beschikte over voldoende materiaal en dacht dat de tijd rijp was om ook Het Liegend Konijn aan te schrijven. Meestal moet je geduld hebben voor je uitsluitsel krijgt, maar tot mijn niet geringe verbazing antwoordde de redactie de volgende dag al dat ze enthousiast was over het werk dat ik had ingezonden. Mijn gedichten werden in het herfstnummer gepubliceerd. Ik heb enkel lof voor de professionele manier waarop Het Liegend Konijn gerund wordt. Ik onderschat de rompslomp niet die met het redigeren van een tijdschrift gepaard gaat. Als je rekening houdt met het aantal dichters waarmee een nieuwe editie van Het Liegend Konijn uitpakt, dan past het om daar je hoed voor af te nemen.

Hoe zou je jouw poëzie omschrijven?
Ik ben geneigd om mijn gedichten als sprookjes te bestempelen. Niet uit bescheidenheid of omdat ik er een Oosters georiënteerde visie op nahoud, maar omdat de suggestieve, bijna surreële kwaliteit die sommige dichters met eenvoudige middelen weten te bereiken, altijd een inspiratiebron voor me is geweest. Schitterende vondsten zoals Frank Koenegrachts ‘Er zijn ook bedienden vol sluimerende wijnen’ of Van Ostaijens ‘Wilde rozelaars waaien stemmen van elzekoningen bloot’ zijn met een Zwitsers zakmesje in mijn geheugen gegrift.
Ik tracht binnen het bestek van pakweg een halve pagina een verhaal te vertellen, dat misschien niet helemaal strookt met de werkelijkheid zoals we die dagelijks ervaren, maar er toch alle schijn van heeft. Elk gedicht, waarvan ik de details zo realistisch mogelijk tracht in te kleuren, kent echter zijn een eigen wetmatigheid, zoals dat ook met een sprookje of een droom het geval is. 
Ik hecht er nogal belang aan dat het eindresultaat niet alleen inhoudelijk, maar ook visueel aantrekkelijk is. Soms kom ik er niet uit en blijft er een hinderlijke rafelrand zichtbaar, zoals je bij een spelletje patience ongewild met een paar kaarten kunt blijven zitten. Een uitwaaierende zin, een beeld of een binnenrijm dat net niet ten volle tot zijn recht komt, probeer ik dan eerst nog aan te passen, zonder dat de balans verstoord wordt. Lukt dat niet, dan gooi ik ofwel de vorm compleet om, of recycle ik de beste stukken en kijk of ze elders beter tot hun recht komen. Een gedicht mag best veeleisend zijn, maar ik vermijd het om af te glijden naar nonsensicaliteit, omdat me dat een te gemakkelijk oplossing lijkt. Naar mijn gevoel is de helderheid van een gedicht toch in de eerste plaats gebaat bij een sterk beeld, een knap binnenrijm of soepele regelval.

Zijn er schrijvers die je (denken over) poëzie beïnvloeden?
Ik vermeldde al Frank Koenegracht, die in ons taalgebied misschien minder bekend is, maar wiens oeuvre een goudmijn is. Luuk Gruwez lees ik graag omwille van zijn vakmanschap en zijn thematiek. Hans Faverey is een dichter die ik bijzonder hoog acht, omdat hij in zijn beste gedichten een willekeurige gebeurtenis op een bijna filmische wijze tot poëzie weet te transformeren.
Ik ben schatplichtig aan Achterberg en Hoornik, alsook aan de dichteressen Herzberg en Gerlach. De latere poëzie van Kouwenaar is me eveneens enorm dierbaar. Ik vind trouwens, maar dit terzijde, dat een dichter als Achterberg nog onvoldoende bekendstaat om de soms hilarische gedichten die hij geschreven heeft. Lees de gedichten Horeb of Onland in Het spel van de wilde jacht er maar op na.
Omdat mij naast de Nederlandstalige ook de Amerikaans poëzie genegen is, kan ik niet nalaten om e. e. cummings, Mark Strand, Stevie Smith, Charles Simic, maar vooral Robert Bley te vernoemen, wiens Morning poems niet alleen een hoog droomgehalte bezitten, maar ook bijzonder laconiek en spitsvondig zijn. Zijn poëzie benadert nog het dichtst het ideaal dat me voor ogen staat. Wat de jongere generatie betreft, bewonder ik vooral het werk van Mark Boog, Ester Naomi Perquin, Jan Visser en Antoine Uitdehaag.

Je bent werkzaam in een bibliotheek en werkt bovendien als fotograaf. In hoeverre speelt dat een rol in je dichtpraktijk?
Ik werk in de openbare bibliotheek van Antwerpen. Dat ik iets met boeken heb, is niet verwonderlijk. Omdat ik geïnteresseerd ben in typografie en lay-out, volgde ik een opleiding van twee jaar bij het Plantin Genootschap te Antwerpen. Fotografie heeft steeds een belangrijke plaats ingenomen, maar is de laatste jaren door gebrek aan tijd wat op de achtergrond geraakt. Schilderijen spelen wel soms een rol in de poëzie die ik schrijf. Het gedicht ‘Dit geheel ter zijde’ bijvoorbeeld tracht de verstilde sfeer weer te geven van een doek van S. van Hoogstraten, Jonge vrouw met brief, dat ik vorig jaar in het Mauritshuis zag. 
Vorig jaar ben ik overigens begonnen met het maken van collages en fotoassemblages en ik ben toen werkelijk door de microbe gebeten. Het maken van een collage is een even intuïtieve bezigheid als het schrijven van een gedicht. Je weet vooraf niet waar je uitkomt en het resultaat is steeds weer een verrassing.

Wat staat er zoal voor de toekomst op stapel?
Het was mijn bedoeling om tijdens de zomer een bundel in eigen beheer uit te brengen, maar door omstandigheden heb ik er niet meer aan kunnen werken. Ik mik nu op begin volgend jaar. Na de opleiding aan Plantin ben ik het een beetje aan mezelf verplicht. Een bundel in eigen beheer biedt de vrijheid om typografie en lay-out volledig naar mijn hand te zetten. Daarnaast zie ik het als mogelijke opstap naar een reguliere uitgave. Een ander project is een representatieve keuze uit het werk van Robert Bley te vertalen. Revolver, dat geïnteresseerd was, is vorig jaar echter ter ziele gegaan, waardoor het niet tot een publicatie gekomen is. Vertaalwerk op zich is een plezierige bezigheid, omdat je al over een geschreven tekst beschikt, maar er speelt toch iets vreemds mee. Om beter je eigen teksten te kunnen beoordelen, heb ik gemerkt, helpt het om ze te lezen, alsof ze door iemand anders geschreven zijn. Voor vertalingen geldt ongelukkig dan weer het tegengestelde, maar als het lukt, lijkt het of je per abuis een nieuwe taal uitgevonden hebt.

Geplaatst in Interviews en getagd met .