Pieter Boskma – Doodsbloei

Zo staat het hier geschreven

door Joop Leibbrand

Kon Pieter Boskma in zijn bundel Het violette uur (2008) nog schrijven: ‘drong het tot mij door dat ik nu nu nu gelukkig was,/ voor het eerst gelukkig was, beschermd en zorgeloos’, twee jaar later stonden de zaken er anders voor. In een interview voor VPRO’s De Avonden ging Boskma uitvoerig in op het rouwdagboek in verzen, dat hij ruim zeven maanden bijhield na het verlies van zijn vrouw in augustus 2008 en dat een bundel opleverde die in het algemeen zeer lovend (o.a. Arie van den Berg) tot extatisch (Fleur Speet) werd ontvangen. Alleen Erik Menkveld uitte ook zijn reserves.
Boskma vertelt in het interview dat ‘het’ al begon zes tot zeven weken na haar dood: het eerste gedicht diende zich aan op 4 oktober 2008. Toen direct de volgende dag weer gedichten in hem opkwamen, wist hij dat het een stroom zou worden van wat hij noemt ‘bevrijde’ sonnetten: direct, ‘recht voor zijn raap’, rijmend, maar ‘zonder poëtische opsmuk’. Hij zette alles opzij en zeven maanden ging het door met gemiddeld elf gedichten per week, meer dan 300 in totaal. Op 7 augustus 2010, precies twee jaar na haar sterfdag, was het werk gedaan. Het was een explosie, zegt hij er zelf van. Niet geserreerd en ingetogen, maar snoeihard, de emotie vol binnengelaten, het rouwgenre ontstegen, het particuliere in een soort van magisch denken vergroot tot mythische proporties: Doodsbloei.

Wie het eerdere dichtwerk van Boskma overziet, kan niet anders concluderen dan dat al het voorgaande beschouwd kan worden als één grote voorbereiding op deze voorlopige (?) apotheose van zijn dichterschap. Naar aanleiding van het lange roman-gedicht De aardse komedie wees Hafid Bouazza er al op, dat een belangrijk thema bij Boskma de zoektocht is naar de relatie tussen leven en poëzie. Veelvuldig komt dan ook in de vroegere poëzie de omgang met verlies en dood en de overwinning daarop ter sprake. ‘Ook de dichter is per definitie een verliezer’ schreef hij in ‘De zinvolle haast van de dichter’ (Puur, 2004), maar ‘Het dondert/ hem niet wat hij kwijtraakt, hij schept het/ dezelfde dag alweer terug’. En ‘Want de dood is niets/ dan een spelletje met de tijd -‘ staat er in ‘Uit oersoep en ruïne’ (Simpel heelal ,1995). In die laatste bundel wordt de tweede helft geheel gevuld met het gedicht ‘Altijd weer dit leven’, met een motto van Dylan Thomas: ‘Oh as I was young’. Het is een herdenkingsgedicht voor en over een bevriende dichter dat zich afspeelt in een jaar tijd en waarin hij de vriend regelmatig aan het woord laat, als een bewonderde, een god en zo allerlei ervaringen deelt: ‘Ik was de ode zelve,/ de vleesgeworden gloed/ waaraan ook al Dante/ en Vergilius zich brandden’. Het is een context die in Doodsbloei terugkeert, evenals het feit dat hij gemakkelijk als het ware met meerdere monden spreekt: ‘Welke tong/ Spreekt in wie?’, schreef hij al in de bundel Tiara (1991).
Zwagerman noemde Boskma in zijn nawoord bij Altijd weer dit leven (2006) een uitgesproken romanticus, een obsessieve en op momenten zelfs bezeten beoefenaar van een heidense lyriek, iemand die het gebruik van Grote Woorden niet schuwt, schakelt tussen Hoog en Laag, tussen verheven en banaal, maar de daarmee opgeroepen zelfvergroting met zelfspot ironiseert. En Rob Schouten zag in hem een kosmische dichter, iemand die zich in zijn poëzie intens laat meeslepen door de mystiek, de magie, het overdonderende van de werkelijkheid.

Doodsbloei telt 252 gedichten en bestaat uit drie delen: ‘Einde’, met 98 gedichten verdeeld over 15 afdelingen, ‘Terug’ met 71 gedichten in 10 afdelingen en ‘Opnieuw’ met 83 gedichten in 12 afdelingen, waarvan de laatste drie epilogen zijn. De sonnetvorm is de basis; 135 gedichten zijn keurig opgebouwd uit twee kwatrijnen en twee terzinen, maar meer dan honderd gedichten krijgen een regel extra, en vijftien gedichten tellen zelfs twee of drie regels meer. Het is bekend uit zijn vorige bundels. Ook om een vast rijmschema bekommert Boskma zich niet. Hij rijmt zoals het hem uitkomt, hij maakt graag gebruik van de vondsten die het rijm hem oplevert, maar stapt ook net zo makkelijk over op assonerende of niet rijmende verzen. De enige eis die hij stelt, lijkt die van de soepelheid. Daarin gaat hij zover, dat de gedichten een zekere ‘eentonigheid’ krijgen; ze hebben al gauw een zelfde ritme (bij voorkeur jambisch of dactylisch), halen hetzelfde adem. De taal is even vaak simpel en helder, bijna gewone spreektaal, als lyrisch en op het geëxalteerde af sensitief. Wat dat laatste betreft: op de invloed van Gorter op Boskma’s versifiëring is al zo vaak gewezen, dat het bijna overbodig is het te noemen.
Dit is het eerste gedicht:

Ben jij het, liefste, ben je alles nu?
Stem die de diepste tonen zingen kan?
Gras dat koorddanst op een duinrug,
zon die opvlamt uit een vennetje?

Is het de zee waarmee je aanruist nu,
het nauw hoorbaar vallen van een blad?
Knipoog je vliegtuigstrepen aan de lucht
en plaag je me gewoon maar wat?

Naar het waarom zal ik niet langer vragen.
Geen enkel antwoord was bevredigend,
het leidde slechts tot feller onbehagen.

Vlieg dus maar rond en wees het lied
dat wij elkaar nog altijd kunnen geven,
allebei de tekst en allebei de melodie.

‘Allebei de tekst en allebei de melodie.’ Boskma stelt het van het begin af aan voor als een gezamenlijk project, waarin ze beiden een gelijkwaardig, zelfstandig aandeel hebben. Hij zal het de hele bundel door volhouden de ander te zien als in de dood voortbestaand en van daaruit communicerend, volop op hun gezamenlijke vroegere – en huidige! – leven betrokken. Het roept direct de thematiek van Achterberg op, zeker als er in het derde gedicht al direct het verband tussen de dode geliefde en ‘het vers’ wordt gelegd: ‘toen en nu, geluk en ongeluk,// vloeien naadloos door elkaar/ tot jij het vers tegelijk/ binnenkomt en weer verlaat,// binnenkomt en weer verlaat.’ Voor de opdracht die hij in het bundeltje Ene arm vrij (2003) van Achterberg meende te horen, toont hij zich in ieder geval niet ongevoelig: ‘Zet het voort, zet de woorden in/ de juiste spanning!’

Omdat de dode leeft in het vers, maar daarover vrijelijk beschikt, verkeert de dichter in een afhankelijke positie. Het vijfde gedicht zegt het zo: ‘Ach, alles en niets zijn mij nu gelijk,/ alleen in woorden adem ik echt/ omdat ik jou daarmee nog altijd bereik.’ Vervolgens formuleert hij zijn opdracht: ‘bloeden’ ‘tot de hele mensheid van je zingt.’ Er is sprake van volstrekte dienstbaarheid, maar ook van een groot eigenbelang, omdat zij hem de onsterfelijkheid als dichter kan geven, hem de top kan laten bereiken. Het is dus een uitgelezen kans op voortbestaan. Maar niet zonder haar, en daarom is het steeds terugkerende uitgangspunt, de spil waarom letterlijk alles draait, de ‘doorgangh van een gesteên ten leven’ om met Huygens te spreken, het duin waar haar as verstrooid werd. Daar werd zij ‘lucht en zon en wind en wolk,/ een sprietje gras, een veertje aan een tak,/ maar ook de langste en scherpste doorns,// en prikkeldraad en een gebroken glas’. Telkens keert hij daar terug, daar voert hij zijn innerlijke dialogen, herbeleeft hij de periode van haar sterven, ondergaat hij bijzondere natuurervaringen (o.a. met havik, kraaien, vos en hert), vandaar vertrekt hij voor zijn intens beleefde, maar geforceerd aandoende door een doodsengel begeleide Danteske tochten naar de wereld waar zij nu vertoeft.

Het middendeel van de bundel is het minst overtuigend, en dat komt omdat Boskma hier het meest verhalend probeert te zijn. Het is een beschrijving van een gedroomde dodenstad met een gouden en marmeren paleis, bereikt met een zelfsturend bootje vanuit een verzonken woud, met nogal wat quasi-mythologische hocus pocus. In ieder geval: zij is er, of liever: ‘Dat jij het was kan ik niet zeggen,/ maar dat je het niet was evenmin.’ In de Hal van de Tranen, een soort spiegelzaal, beleeft hij opnieuw haar sterfbed, in de Zaal van alle Daden wordt zijn levenswandel beoordeeld, in de Angst voor de Angst moet een driekoppig serpent getrotseerd worden om in de Suite der Liefde te komen. Hier ontmoet hij alle vrouwen uit zijn leven, die op slag verdwijnen als hij aan zijn liefste denkt. Via de Salon van de Tijd en de Grot van God (‘toegang gratis met een zuiver hart’) komt hij bij de Dakloze Kamer, die twéé deuren heeft en hem voor een existentiële keuze plaatst: ‘Achter de ene deur verlies je haar,/ achter de andere je eigen leven./ Zo staat het hier geschreven,/ zo zit Zijn Wet in elkaar.’ Het gedicht vervolgt dan aldus:

Toen ging het snel. Ik kreeg een zet,
viel door een deur… en wist niet wat ik zag:
ik stond op jouw duin, midden op een zomerdag.

Snel keek ik om waar de deur zich sloot
en ik zag jouw glimlach en hoorde nog net:
‘Ach liefste, mijn liefste, je mag nog niet dood,

dank je voor alles, maar nu moet je gaan.’

Even verderop zal zij hem voorhouden: ‘het leven gaat door, ook als het ophoudt,/ iedereen komt door het donkerste woud/ als hij niet bang is, niet klaagt en niet weent.’ Voorlopig staart hij echter nog ‘in jouw blinde afwezigheid’, een formulering die weer regelrecht aan Achterberg ontleend lijkt te zijn, die in ‘Contact’ uit Eiland der ziel schreef: ‘ik smeed het woord dat naar u heet en ik besta bij de gena van deze blinde bezigheid.’ Het geldt evenzo voor Boskma.

Door de hele bundel heen geeft hij voortdurend aan hoe ver hij in de tijd van haar verwijderd raakt: ‘drie maanden na je dood/ en nog elke zenuw bloot’, ‘Je bent alweer vijf maanden dood, en ik…’, ‘Op de eerste dag van de zevende maand van je dood’, ‘Vandaag ben je zeven maanden dood’, ‘De laatste dag van de achtste maand van je dood’ enz. En daarnaast telt hij zijn gedichten. Aan het begin van deel drie stelt hij vast: ‘Honderdzeventig verzen voor jou…’, en warempel, het klopt, want het is inderdaad gedicht nummer 171 waarin hij dit zegt. Maar Boskma manipuleert natuurlijk, want is de bundel niet een keuze? Hij moet dan al veel meer gedichten geschreven hebben! In ieder geval constateert hij: ‘Ik ben mijn eigen poëzie geworden.’

In deel drie zwalkt de dichter. Hij geeft zich over aan drank en dope en andere vrouwen, maar als hij de liefste hoort zeggen ‘Zoek toch een engel onder de levenden!/ […]// Laat die jou kussen in een nieuw gedicht,// laat nu een einde komen aan de rouw’, dan volgen er zes gedichten waarin hij regel voor regel herinneringen ophaalt aan de meer dan zestig locaties waar hij wereldwijd met haar geweest is. Maar de tekenen dat er een kentering komt, nemen toe. ‘Ik stond op je duin en was ineens niet meer verdrietig’. Uiteindelijk heeft hij weer ontmoetingen met de dood, die zegt te willen staken omdat ook hij recht op sterven wil hebben. Als de dood dan niemand meer wil halen, wil hij misschien wel iemand brengen; de dichter ziet het als een nieuwe kans met de geliefde verenigd te worden. In de Grot van God ontmoet hij zijn Monique (bij name genoemd!), meteen daarop bevinden zij zich beiden ‘midden in de zonbeschenen duinen’, maar de dood stelt onverbiddelijk: ‘Je wou toch een keuze? Nou, een van jullie/ mag terug, de ander moet hier blijven.’ Uiteraard verdwijnt zij, en hij hervindt zich achter zijn bureau, als om te benadrukken dat het in feite allemaal maar een literair spel is. Vandaar misschien dat Boskma er vervolgens sterk de nadruk op legt daarna maandenlang niet meer te hebben kunnen schrijven:

Ik probeerde het nog wel, ging de duinen in,
geheel gericht op jou, net als in het begin,
maar het was voorbij, o en voorgoed voorbij,
ik zag en hoorde niets wat op elkaar rijmt.

Door de dichter van de aanvaarding te citeren, wordt hier de verzoening met het leven bevestigd.
Hierna volgen dan nog de eerste, tweede en derde epiloog, als de slotakkoorden van een symfonie die niet van ophouden weet. In de eerste ligt sterk de nadruk op een intense erotiek, de meest pure levenskracht. Van daaruit is er dan een kalme laatste ontmoeting met de dood, die niet alleen verlangt dat hij verder schrijft, maar die hem bovendien, als volvoerder van haar wil, naar een eerder ontmoete potentiële nieuwe geliefde stuurt. Uiteindelijk kan geschreven worden

Het werd zomer, herfst, weer winter,
de jaren gleden gelaten voorbij,
en heel langzaam werd het minder:
de waanhoop en de weemoedspijn.

en houdt zij hem voor: ‘Er komt een dag dat ik moet zwijgen,/ en jij een andere bron moet vinden/ om je gedichten uit te krijgen’.

Tot slot. Doodsbloei, luidt de titel. De dood wordt zichtbaar en meeleefbaar gemaakt, maar een lofzang op de dood is deze bundel beslist niet. De natuur bloeit, de gestorven geliefde bloeit, de dichter bloeit. Bovenal laat de bundel zien wat poëzie vermag als talent en gedrevenheid haar dragen en zij tegelijk middel en doel is. Geen ‘doodsbloei’ die niet met het leven verzoent.

****
Pieter Boskma (1956) studeerde onder meer Nederlands, Engels, Indonesisch en antropologie, en was enige jaren werkzaam als conservator van het Rijksmuseum voor Volkenkunde te Leiden. Na zijn debuut Quest (1987) koos hij voor het full time schrijverschap. Eind jaren tachtig maakte hij deel uit van de dichtersgroep De Maximalen. Sinds zijn debuut publiceerde Boskma een groot aantal dichtbundels, waaronder Tiara (1991),Simpel heelal (1995), In de naam (1996), Het zingende doek & De geheime gedichten (1999), Puur (2004) en Het violette uur (2008). Daarnaast schreef hij de novelle Een foto van God (1993), het omvangrijke roman-gedicht De aardse komedie (2002) en de verhalenbundel Westerlingen (2006). In 2006 presenteerde Joost Zwagerman met Altijd weer dit leven een ruime keuze uit Boskma’s poëzie.

 

Geplaatst in Recensies.