Klaas de Groot (sam.) – Vaar naar de vuurtoren [Eiland, Isla, Island, Eilân]

Het eilandgevoel

door Joop Leibbrand

Op 10 oktober vorig jaar (10-10-’10) werd het Koninkrijk der Nederlanden vernieuwd. De Antillen werden als staatsvorm ontman­teld, Sint Maarten en Curaçao werden net als Aruba ‘landen’ binnen het ko­ninkrijk en Bonaire, Sint Eustatius en Saba werden Nederlandse ‘Openbare Lichamen’. Eilanden bleven ze alle zes, en samen met de zes Waddeneilanden telt Nederland nu dus twaalf eilanden. Om dat voor een breed publiek zichtbaar te maken, ging Klaas de Groot voor In de Knipscheer, de uitgeverij die zoveel affiniteit heeft met het overzeese, in de literatuur op zoek naar gedichten over al deze eilanden. Het resultaat, mede te danken aan een flink aantal met name genoemde behulpzamen, is een kloeke bundel van 112 gedichten in de vier officiële talen van het Koninkrijk: Nederlands, Engels, Fries en Papiaments, waarbij die in de twee laatste talen ook in vertaling werden opgenomen.

In Vaar naar de vuurtoren [Eiland, Isla, Island, Eilân] zijn de gedichten alfabetisch op eiland geordend, zodat de bundel opent met gedichten over Ameland en Vlieland de eilandenrij sluit. In de afdeling Varia volgen dan nog wat teksten die niet specifiek over één eiland gaan.
De titel is ontleend aan een gedicht van Sjoerd Kuyper, ‘Texelse kermis’; het telt zeven strofen, hier volgen 1, 4 en 5:

Er is maar één manier
om werkelijk
op Texel aan te komen:

[…]

kijk naar het licht
dat als een mes
tussen de wolken
door gestoken wordt,

vaar naar de vuurtoren,
die je al bijna aan kunt raken,
nu je arm in deze helderheid
meer dan een half uur lang is,

[…]

De Groot bedacht Curaçao met de meeste gedichten, maar hij zorgde er ook voor dat de verhouding Nederlandse en Antilliaanse eilanden mooi in evenwicht is. Als het rijmpje van Driek van Wissen vooral aan die laatste wordt toegerekend, klopt het zelfs precies:

Uitverkoop

Dit aanbod mag u absoluut niet missen
Ons land is dit maal voordeelkruidenier
Koop zes Antillen voor de prijs van vier
En als u deze week nog kunt beslissen
Dan krijgt u voor een appel en een ei
Er ook nog de provincie Friesland bij.

Klaas de Groot wijst er in zijn uitvoerige nawoord zelf al op dat de Nederlandse bijdragen in het algemeen wat lichtvoetiger zijn dan de Antilliaanse. Die zijn vaak zo hooggestemd, dat De Groot ze zelfs hagiografisch noemt. Het lijkt een duidelijke mentaliteitskwestie, maar dat het Nederlandse aandeel nogal ‘licht’ is, is uiteraard vooral een gevolg van Groots keuze om naast dichters uit de categorie Slauerhoff, Bernlef, Otten ook Freek de Jonge, Driek van Wissen, Ivo de Wijs, Fetze Pijlma, John Schoorl, John O’Mill en Kees Stip op te nemen.

Een goede bloemlezing dient enerzijds altijd de evergreens van het genre te bevatten, maar anderzijds toch vooral nieuwe, verrassende vondsten te presenteren. Voor het Antilliaanse gedeelte is dat voor een niet goed in die literatuur ingevoerde lastig te bepalen, maar in het Nederlandse gedeelte maken veel dichters hun opwachting die je elders niet snel zult aantreffen en dat gaat zeker niet ten koste van het niveau. Aardig is dat van alle gebieden ook de ‘volksliederen’ zijn opgenomen, ook de apocriefe.

De Groot is dank verschuldigd voor het kiezen van een gedicht van Christiaan Terpstra. Achter deze vergeten dichter gaat Jan Christiaan Marius Kruisinga schuil, geboren 1895 te Den Helder, overleden 1971 te Vriezenveen en in zijn beroepsleven werkzaam als notaris. Hij publiceerde tussen 1939 en 1955 vijf bundels, waarvan de laatste, een keuze uit de eerdere, verscheen bij de Bezige Bij. In Vaar naar de vuurtoren werd van hem ‘Texel’ opgenomen, net als andere oudere gedichten in gemoderniseerde spelling en zonder de aanduiding ‘Den Hoorn, 7 april 1939’.

Texel

Dit eiland heeft zijn eigen lied;
de vogels, die de zomer duchten
gaan schreeuwend door de hoge luchten
en roepen om een vèr verschiet,

Dit eiland heeft zijn eigen licht.
Het glinstert boven verre stranden
en overstuift de vlakke landen,
gespreid achter het duingezicht.

De eigen zee omspoelt dit land.
Ze vloeit zo grijs rondom de dijken,
en spat, zover de banken reiken
haar schuim op een toekomstig strand.

Dit eiland heeft zijn eigen tijd.
Wie weet, wanneer die is gekomen?
Om ‘t kale graf staan scheve bomen;
de grond is open en bereid.

John Jansen van Galen, die in 1998 een bundel reisverhalen publiceerde onder de titel Het eilandgevoel en daarmee de term muntte, wijst in zijn voorwoord op een ernstige ‘omissie’: het ontbreken van gedichten over de eilanden Pampus en Tiengemeten. In een volgende druk moet dat dan maar worden goedgemaakt.

Geplaatst in Recensies.