Gedichten

DE VOORRAADKAMER

De vloer zwart-wit, de wasbak van graniet.
Nachtlicht trekt de ramen scheef. Iedereen
slaapt, in vreemde huizen of in stille grond.

Een meisje komt binnen, ziet mij niet, of wel.
Grijnzend loopt ze naar de kast met zoet, pakt
een droom, rood en warm, en twijfelt niet.

Ik schrik en strek mijn arm, maar voor ik zeg:
blijf af, geef hier, die heb ik jaren gekoesterd,
gaat de deur met zachte hand weer dicht.

Verschenen in Het Liegend Konijn, oktober 2010

B. en nummers ontelbaar, initialen onbekend

Een bergbeek in Noorwegen, eind
jaren zeventig, een verrekijker voor
vogels en buren, maar opeens
was daar mijn vader poedelend.

Zijn naaktheid nieuw, zo ook zijn
plezier. Onbewust van spionage
genoot hij zon en water, een moment
geen chauffeur of kostwinner zijn.

Ik schrok van mijn schrik, van mijn ogen
niet af kunnen houden, de kijker
uit schaamte als een geweer in aanslag.

Nu hij in zijn beste pak verteert, gluur ik
dagelijks naar prooien die poedelen.
Niemand die mij ziet. Zij genieten zichzelf.

Uit: Bij het zien van zijn lichaam, De Contrabas, BnM Uitgevers, 2007

Draad

Een draad van glas hangt boven
het bed. Hij trilt en schittert, golft
langs kussens, lakens, over huid
naakt en doorzichtig, schermt af,
nodigt uit, maar heeft geen haast.

Lost hij op, straks, achter haar rug,
een ladder na de laatste drenkeling
binnengehaald? Of valt hij neer, wikkelt
het lijf dat achterblijft, klein en koud,
in windsels van onbreekbaar licht.

Uit: Tot ook ik verwaai, Podium, 2009

Geplaatst in Gedichten en getagd met .