Een gemankeerde zoektocht

Roel Weerheijm werd in 1983 geboren in Middelburg. Hij is literair redacteur bij De Boekenkrant. Daarnaast schrijft hij een column voor Juncto, het tijdschrift van de rechtenfaculteit van de Universiteit Utrecht. Voorts schrijft hij verhalen, gedichten en essays, die in o.a. Dighter, Kluger Hans en Deus ex Machina verschenen, en die op verschillende podia te horen waren.

Je studeerde achtereenvolgens geologie en Nederlandse taal- en letterkunde. Het doet me een beetje denken aan W.F. Hermans die zich onderscheidde in de fysische geografie, maar veel bekender werd als schrijver. David Van Reybrouck is, net als ikzelf trouwens, archeoloog, en dus vanuit zijn opleiding ook vertrouwd met de bodemkundige en geologische opbouw van de aarde. Denk je dat er een verband is? Zie jij poëzie ook als een stratigrafie, als iets wat geordend is en kan waargenomen worden, of zie je juist omgekeerd poëzie als iets wat geordend moet worden, of misschien zelfs louter als middel om het ongeordende te ordenen?
Poëzie is volgens mij een volstrekt onafhankelijke, alternatieve ordening van de wereld, een eigen archeologische geschiedenis. Ik denk dat een dichter niet per se zin of orde probeert te scheppen. Een dichter wil soms zelfs bewust verwarring stichten, zin of nut ontwijken of ontkennen. Peter Verhelst benadrukt dit in Nieuwe sterrenbeelden, Arjen Duinker in Buurtkinderen. Een dichter doet precies het omgekeerde van een geoloog of archeoloog: zijn poëzie is een wereld die ontstaat en evolueert, een geheel eigen geschiedenis krijgt, en hij laat het aan anderen over de stratigrafie ervan te reconstrueren.

Er zijn nog tal van voorbeelden van schrijvers met een wetenschappelijke achtergrond. Beseffen wetenschappers als geen ander dat de wetenschap alleen maar antwoorden kan bieden op het hoe, maar dat het waarom nooit een antwoord zal kennen? Zoeken zij compensatie in de literatuur waar zijn hun eigen antwoorden kunnen formuleren zonder ze te moeten bewijzen?
Niet alleen de wetenschap, maar ook de wereld van een roman of gedicht moet plausibel zijn, kloppen, zelfs in het postmodernisme (waarschijnlijk de meest wetenschappelijke van alle stromingen). Filosofische romans als Rituelen van Cees Nooteboom zijn letterlijk gezien niet wetenschappelijk, maar moeten filosofisch zinvol zijn, zichzelf bewijzen, zoals een academische filosoof die een traktaat schrijft.
Maar wetenschap is empirie, literatuur en poëzie zijn kunst. Een wetenschapper voert bewijs aan met elementen, of bewijzen uit de buitenwereld en kan zijn onderzoek als bewijsvoering herhalen. Literatuur ‘bewijst’ zichzelf – in zichzelf. Het kent geen herhaling. Literatuur is daarmee wellicht een grotere uitdaging, maar ook een mooiere uitdaging, omdat de literatuur tegelijkertijd meer vrijheid geeft, meer mogelijkheden biedt. Misschien is literatuur voor wetenschappelijke schrijvers of dichters daarom zo’n belangrijke wereld, omdat ze er gedachte-experimenten in kunnen uitvoeren.
Literatuur kan wel een menselijke invulling geven aan iets onpersoonlijks. Het ‘waarom’ zal een onbeantwoorde vraag blijven, schrijven is hooguit een gemankeerde zoektocht naar de mogelijkheid van een antwoord. Maar een fictief verhaal of een gedicht kan die droge stof tot leven wekken.

Je blog laat vermoeden dat je een groot liefhebber bent van klassieke muziek. Ook architectuur is een thema dat regelmatig terugkomt. Zijn deze kunsten voor jou een echte bron van inspiratie, of eerder een katalysator van ideeën die al langer in je gedachten sluimerden?
Klassieke muziek, jazz, architectuur, schilderkunst e.d. vormen een belangrijk deel van mijn (persoonlijke) ervaringen. Tijdens mijn schooljaren was ik vaak erg teleurgesteld in mensen, klasgenoten en vrienden. Muziek en kunst stellen nooit teleur, geven altijd hoop en energie. Een ‘slijpsteen voor de geest’, zoals de slogan van NRC Handelsblad ooit luidde. Inderdaad zou je het een katalysator kunnen noemen van emoties, gedachten en ideeën.

Het gedicht ‘Dit gedicht begrijp ik niet’ zal voor veel mannelijke lezers herkenbaar zijn. In dit gedicht slaag jij er in om met enkele zinnen, en eenvoudige woorden te beschrijven hoe intens en tegelijk afstandelijk een vader-zoon-relatie kan zijn. Wat is het toch met moeders dat we zo makkelijk over hen kunnen schrijven, en uiterst moeizaam over onze vaders?
Eerlijk gezegd vind ik het veel moeilijker om iets over een moeder-zoon-relatie te schrijven dan over een vader-zoon-relatie. Van alle relaties die er bestaan (seksueel, maar ook: broer-zus, ouder-kind, grootouder-kleinkind e.d.) is die tussen moeder en zoon de meest intense. Een moeder stelt haar lichaam letterlijk ter beschikking aan haar kind, baart het kind en zoogt het jaren lang. Dat besef zit in iedere vezel van het kind. Dichterbij elkaar kun je niet komen – zeker als zoon, omdat moeder en zoon nog van een verschillend geslacht zijn en daarom meer affiniteit met elkaar hebben.
Ik vermoed dat dit de reden is dat veel schrijvers meer en makkelijker over moeders schrijven dan over vaders. Voor mij werkt het echter niet zo. Literatuur en poëzie bestaat voor mij uit persoonlijke en autobiografische grondstoffen, maar afstand is net zo belangrijk. De afstand van zoon tot moeder is te klein om daar een zinvolle literaire invulling aan te geven. De afstand van een zoon tot zijn vader is groter, en hun relatie is vaak ambivalent. Dat maakt het bij uitstek interessant voor literatuur.

Voor De Boekenkrant heb je al een aantal behoorlijk indrukwekkende namen geïnterviewd. Wordt een mens daar bescheiden van?
Hmm, bescheiden is niet het goede woord, maar je kunt je eigen ideeën, je eigen visie relativeren en verrijken. Het inspireert als je tegenover schrijvers zoals Christiaan Weijts, Thomas Rosenboom of Kader Abdolah zit. Zoals vele andere schrijvers zijn zij me bijgebleven vanwege hun gedreven enthousiasme, de noodzaak die zij uitademen om met hun geesteskind de wereld in te gaan, om die wereld rijker te maken.
Ook bieden gesprekken met schrijvers je inzicht in de ordening die een schrijver geeft aan de wereld, de dingen die hij belangrijk vindt. Goede romans hebben altijd een aantal grondige en uitgewerkte thema’s. Schrijvers zijn, zoals wetenschappers, jarenlang met die thema’s bezig geweest en hebben uitgebreid over de ideeën in hun boeken nagedacht. Een schrijversgesprek levert daarom een ongekende rijkdom aan nieuwe inzichten op.

Zou je zelf een literaire reus willen zijn? Of worden?
Ik schrijf omdat het van nature een deel van mij is. Zoals ik adem, eet, slaap. Dat doe ik al vreselijk lang. Misschien dacht ik tien, vijftien jaar geleden aan een boek met mijn naam erop, dacht ik een beroemd schrijver te willen worden. Maar die gedachte is onnodig, nutteloos en onjuist. Het leidt af van waar het om gaat. Als je niet meer ademt, stik je. Als je niet meer eet, verhonger je. En ook slaapdeprivatie kan dodelijk zijn. Ik schrijf omdat het moet. En waar het mij brengt, dat zien we wel.

Geplaatst in Interviews en getagd met .