Gedichten

TOEN JE ME TEN HUWELIJK VROEG, WOU IK NOG HET VOLGENDE

in je dagen bladeren als stonden ze in een archief,
ze kaften, hoofdstukken openslaan
en bovenal verbanden leggen.

hoe je in kamers zonder deuren sliep bijvoorbeeld,
wat dat van je maakte en waarom je zoveel schrijft
over grootouders, rimpels en dood.

ik zou graag teruggaan naar die avond
bij de haard waarop ik je iets vroeg en
je ogen trilden alsof je in een trein zat.

een goede archivaris zet die rubrieken
binnen handbereik.

‘S NACHTS

en als ik nu eens niet wakker werd
maar bleef: sneeuwwitje achter glas.
zou een autopsie je smaken, prins?

betast mijn borst die onbeweeglijk blijft,
mijn tepels stijf van kilte. schrik niet
wanneer mijn hart roder wordt, je bevende handen
op mijn rug wroeten, je trillende vingers
in het weefsel rond mijn onderrib klemmen
als in de nok van een door- en doorzocht pand.

stel vast: ik ben niet langer het meisje met de lolly,
niet langer het kousenvoetensluipende mensje
dat je met de handen voor je ogen verrast
met een ontbijt.

besluit: er steekt geen appel
in mijn keel, er is er ook nooit een geweest.
ik stikte in de valse nagels van de heks.

JIJ, DE STILTE

ik heb al geprobeerd te doen alsof
je weer hier bent. ik dek de tafel voor twee,
schuif de stoel voor me wat naar achteren,
luister en knik.

ik hoor je een grap vertellen.
je lacht en ik lach mee, niets mooier
dan uitbundige tranen.

dit doen is als zoenen
op het venster. het koude glas,
dat je eerst schrikken,
dan walgen doet.

ALLES OP AFSTAND

zo zitten we bijna in een woonkamer,
onze banken op de pier en de zee
als een salontafel tussen beiden,
glazen en rietjes ontbreken nog
om er het leven door te zuigen.

er is niets dat me naar je hand doet neigen,
niets dat mijn trillende vingers op je lippen
legt of me doorheen
je haren laat gaan.

de redenen staan in koffers
naast mijn voeten, zwaar en onhandig.
ik tors ermee, maar elders
wil ik nu niet zijn.

jij weet niets van de living en de koffers
vol bezwaren, het is de wind
die over je hand en mond glijdt en je haren
in de war brengt.

toch tuit je je lippen
om ‘zo’ te zeggen.
‘zo is het wel genoeg.’

Alle vier de gedichten komen uit Toen je me ten huwelijk vroeg, uitgeverij Vrijdag/Podium, 2011

Geplaatst in Gedichten en getagd met .