Gedichten

Bij geloof, leven en korsakov

Toen Weslie met het frambozenhoofd
dood bleek te zijn
wij hem nog niet hadden gemist.

(Weslie man, hoe kon dat nou gebeuren man…)

De hond niet tegen het raam op jankte
of dronken van verdriet van zich af had gepist.

Oma niet naar het westen had gespuugd
tijdens het gebed
de luiken nooit gesloten waren geweest.

(Weslie, jongen, waar woont je geest nou…)

Iemand fuck riep tegen niemand in het bijzonder
zodat de klinker krachteloos boven het erf bleef hangen.

Later tijdens glaasje draaien de tafel rilde
en we opgelucht waren bij dit teken van leven
terwijl we allemaal wel wisten dat het opa’s been was
dat trilde.

We wilden het zo graag geloven.

‘t Was het licht zeker
in de ruimte dat wegviel zeker
zodat het donker ons dwong.
 

(Uit: Detox, 2010, Uitgeverij Atlas)
 

Detox

In het grote blauwe varkensbos
vangen we gifkabouters
koud zo koud

ik zoek je hand maar je staat
aan de andere kant van de stolp
met je neus tegen het glas gedrukt
ik trek mijn armen in

fluister gedempt over houden van
durf niet goed hardop want het bos
schrikt zo snel vandaag zijn de bomen
alweer wat kaler en vallen er bladeren
op je getormenteerde hoofd

(je klotshoofd, waar het troebele water dagen
scheef in je ogen stond, vissen schuin doorheen
zwommen, me aankeken of ze eruit wilden)

hoe moeilijk van je af te blijven
als alles vraagt om lief
er staan entiteiten tussen

laten we slapen, vissen bevrijden
kabouters vangen, slapen, voor altijd
wakker worden.
 

(Uit: Detox, 2010, Uitgeverij Atlas)
 

In Antwerpen

Daar, op dat bankje werd ik ooit bedrogen,
in dit museum waar nog geen afdruk van
ons aan de wanden kleeft.

Een Vlaamse gaai doorboort een hoedje
van een vrouw die gezichtloos door de
ruimte zweeft. Foto’s zijn verboden.

Ik draag negen gedichten voor en niemand
weet dat ik van de tiende een hoedje heb
gevouwen dat sindsdien altijd in mijn tas woont.

Altijd lijkt lang voor een hoedje van nog geen dag
oud maar de seconden schijnen hem jaren toe.
Een dichter noemt je mijn vader.

De lens in je hand lonkt naar het bankje maar bedrog
laat zich niet makkelijk vangen. Maak geen foto,
bid ik stilletjes tot de tijd. Ik wil mijn ziel niet kwijt.
 

(ongepubliceerd)

 

Geplaatst in Gedichten en getagd met .