Toon Tellegen – Schrijver en lezer

Woorden schieten tekort

door joop Leibbrand

Schrijver en lezer van Toon Tellegen (1941) bevat 45 gedichten en 23 bladzijden met tekeningen van zoon Boris Tellegen (1968). Dat zijn mathematische constructies die een uit kubussen opgebouwde figuur afbeelden, die aan een bureaublad zit met daarop een of meer bladen blanco papier, de armen bewegingloos gestrekt, volstrekt passief. Ze hebben iets vervreemdends en passen daardoor uitstekend bij de bijna stereotiepe taalconstructies waarin vader Tellegen in voortdurende zelfreflectie de blauwdrukken probeert te achterhalen van wat een schrijver in essentie tot schrijver maakt en een lezer tot lezer en hoe deze twee zich in hun bijzondere afhankelijkheidsrelatie tot elkaar verhouden. Centraal staat daarbij het gevecht om de woorden dat zowel schrijver als lezer moeten voeren; een zware strijd, omdat woorden zelfstandige entiteiten zijn die zich niet gemakkelijk gewonnen geven.

Het is een conceptueel concept dat een hoge inzet kent, waarbij Tellegen er zich een meester in toont zijn lezers in de rol van toeschouwer te dwingen. Zijn teksten kenmerken zich door een zekere afstandelijkheid, je leest ze alsof je door plexiglas kijkt. Ze leven, maar ze leven cerebraal en daardoor beleef je ze op een net iets ander niveau dan dat van de gewone werkelijkheid.
Dit is het eerste gedicht:

De schrijver bekijkt zijn woorden –
wat zal ik vandaag eens… denkt hij

hij houdt wroeging voor zich, klopt haar uit
en legt haar weg,
laat niettemin door zijn vingers gaan,
snuift de geur van spielerei in zich op,
kijkt peinzend naar zijn afgetrapte zonden op de grond

hij kiest ongeduld en spitsvondigheid
en gaat, gekleed in zijn dagelijkse ik en mij,
met aan zijn voeten zijn trouwe zelfoverschatting,
aan zijn tafel zitten.

Dat woorden het taalmateriaal van de dichter zijn, is op zichzelf niet iets bijzonders, maar dat ze tot zulke verzelfstandigde objecten gemaakt worden, is dat wel. Ze hebben een eigen leven, en daarom kunnen ze in het tweede gedicht de wereld ingestuurd worden. Als woorden als ‘ziekelijkheid’, ‘pijnlijkheid’, ‘dodelijkheid’ en ‘nu’ ‘s avonds terugkeren, kan de schrijver beginnen te schrijven, en is er vanaf het volgende gedicht meteen ook sprake van een lezer. In aanvang moeten beiden zeer aan elkaar wennen, want hoe hongeriger en onverzadigbaarder de schrijver zich toont, hoe meer de daardoor tekortkomende lezer verhongert.
Vooral met ‘grote’ woorden is het altijd oppassen. Met ‘kwaadbloedig’ bijvoorbeeld, of ‘wezensvreemd’, en ‘liefde’ en ‘dood’ zijn altijd heikel.

Van alle gedichten vormt de in rood gedrukte titel meteen ook de eerste regel van het gedicht, dat vrijwel steeds begint met ‘De schrijver…’, gevolgd door een werkwoordsconstructie: De schrijver bekijkt zijn woorden –, De schrijver is hongerig, De schrijver valt zichzelf tegen, De schrijver legt zijn pen neer, De schrijver schudt aan de boom van ontzetting, enzovoort.
Twee gedichten beginnen met ‘De lezer’, het 22ste en het laatste. Als de bundel daarom al een opbouw kent (er zijn geen afdelingen), is het deze: twee keer 21 ‘de schrijver’-gedichten gevolgd door een ‘de lezer’-gedicht, waarbij dan het gedicht in het hart van de bundel een soort scharnierfunctie krijgt:

De schrijver bedenkt woorden
die hij niet kan schrijven –
ze zijn te licht, ze lossen op, ze vliegen telkens weg

de schrijver verzwaart ze met nadruk en betrokkenheid,
knoopt ze aan oude woorden vast,
verleent ze bezieling

en de woorden beginnen te scheuren,
ze verspreiden een vreemde geur,
ze kunnen hun betekenis niet aan

de schrijver probeert ze te vergeten,
maar de woorden vergeten hem niet,
klampen zich aan hem vast,
leiden hem in verzoeking

waar de lezer op hem wacht.

Gaandeweg krijgt de lezer van de bundel (die niet samenvalt met ‘de lezer’ ín de bundel) een beeld van wie de schrijver is. Iemand die in eerste instantie voor zichzelf schrijft en zich een lezer wenst die zich volledig aan hem overgeeft. Iemand die zichzelf telkens opnieuw moet uitvinden, soms worstelt met zijn eigen overbodigheid, zichzelf de strot uitkomt, maar met alle geweld iets wenst te zeggen van beslissend belang. Iemand die laveert tussen hypocrisie en lethargie, evenzeer god als iemand die op zoek is naar zichzelf, in het duister tast en ten diepste weet geen schrijver te zijn. Aan zijn graf zal de lezer dan ook zeggen: ‘woorden schieten tekort’.

In het voorlaatste gedicht houdt ‘de schrijver’ op schrijver te zijn. Hij ‘herinnert zich weer de schoonheid van genade/ en van niet schrijven, niet denken en niet zijn,/ gonst als een hommel tussen de vitrages en verdwijnt/ in het grote blauwe niets.’ Het opent de weg voor ‘de lezer’ om de rollen om te draaien en zijn diepste wens vervuld te zien: zelf schrijver worden.

De lezer wordt schrijver,
trekt de kleren van de schrijver aan,
eet zijn brood,
zit aan zijn bureau,
buigt zich over zijn papier –
verwondert zich over de immense, tot voorbij de horizon zich
uitstrekkende, oogverblindende witheid ervan –

neemt zijn pen in de hand,
denkt wat de schrijver denkt,
voelt wat de schrijver voelt (onder andere: pijn)
en wacht
tot iemand hem stoort

maar niemand stoort hem,
hij wacht tevergeefs.

Wij zijn terug bij het begin. Daar zit, vol zelfoverschatting, een schrijver. Hij heeft geen enkel excuus om niet te gaan schrijven, niets weerhoudt hem. Op de bijbehorende tekening is het blad nog altijd leeg. Wat nu?

Met Schrijver en lezer heeft Toon Tellegen een qua thematiek en uitwerking unieke bundel geschreven, die ondanks de haast monomane concentratie op het onderwerp vooral dankzij een constante ‘lichtheid’ geen moment verveelt.

Geplaatst in Recensies.