Wim Brands – De vijftig beste gedichten van Wim Brands

Alles O.K. hier

door Joop Leibbrand

Als op de notoir moeilijke poëziemarkt De vijftig beste gedichten van Wim Brands een (bescheiden) succes wordt, zal dit het begin zijn van een nieuwe serie, belooft de uitgever. De formule lijkt er goed genoeg voor: kies uit het werk van een hedendaagse dichter een vast aantal gedichten (vijftig is een mooi aantal om een dichter recht te doen), voeg er een enthousiasmerende in- of uitleiding bij waarin het werk op een toegankelijke manier gekarakteriseerd wordt, geef het uit op mini-pocketformaat en reken er zonder je af te vragen wie er nog iets aan verdient een vriendelijke prijs voor, bijvoorbeeld twintig eurocent per gedicht.

Samensteller van dit eerste deel is Chrétien Breukers en uit de uitgeversinformatie is op te maken dat hij ook de samenstelling van de eventuele nieuwe deeltjes op zich zal nemen. Met al zijn activiteiten en publicaties ontwikkelt Breukers zich steeds meer tot een soort schaduw-Komrij. Wellicht lukt het hem ooit als even gezaghebbend te worden beschouwd. Hij lijkt op weg.

Wim Brands geniet al jarenlang bekendheid als radio- en televisiemaker van vooral literaire programma’s, met als speerpunt de poëzie. Dat hij ondertussen zelf ook een klein dichterlijk oeuvre opbouwt, is misschien minder bekend. Zijn rol is enigszins vergelijkbaar met die van Anton Korteweg tot enkele jaren terug: facilitair voor anderen, maar ondertussen in de luwte daarvan bezig aan het veroveren van een eigen plaats.

Brands debuteerde al op negentienjarige leeftijd in Hollands Maandblad. Zijn eerste dichtbundel, Inslag, verscheen in 1985. Daarna volgden o.a. In de metro (1997) en De schoenen van de buurman (1999). In 2005 verscheen Ruimtevaart en in 2010 Neem me mee, zei de hond. Breukers kon dus kiezen uit een flink aantal bundels en daarnaast nog uit enkele recente tijdschriftpublicaties.

De poëzie van Wim Brands is volgens Breukers de poëzie van een dichter die op de grens tussen zeggen en zwijgen vragen stelt die bijna niet te beantwoorden zijn, en dat onzegbare verwoordt in glasheldere, eenvoudige taal. Ik zou zelf vooral willen wijzen op de onnadrukkelijkheid van zijn poëzie, het haast terloopse gemak waarmee hij een situatie schetst waarin hij de lezer in staat stelt zelf het gedicht binnen te trekken, zoals in ‘De jas’:

De Jas

Maar eerst is er een oude jas. Nu hangt hij
aan de kapstok, binnenkort wordt hij
verbannen naar het hok.

En eerst is er een avond waarop ik aarzel
naar buiten te gaan. Buiten is het koud.
In gedachten trek ik voor het eerst

die oude jas aan. Ik ben alleen op straat.
Wie had dat durven hopen. Ik kijk
in de ruiten en zie

voor het eerst mijn vader in deze stad lopen.
Waar ga je heen? ‘Nergens heen.’
‘Dan gaan we dezelfde kant op.’

Opvallend is in de eerste plaats ‘Maar eerst’. Dat is niet zomaar met de deur in huis vallen, maar een opening bieden voor een hele, zelf aan te dragen levensgeschiedenis. Daarnaast is natuurlijk ‘In gedachten’ opmerkelijk. Andere dichters zouden de zoon daadwerkelijk in vaders jas de straat op gestuurd hebben, maar nu wordt heel knap met minieme middelen de verbeelding als het ware verdubbeld.

Elders zegt hij dat het zijn wens is ‘Te schrijven zoals mijn grootouders/ een telefoongesprek voerden.// Ze […] konden tot aan het einde/ van hun leven niet geloven// dat hun stemmen ook elders/ klonken./’ Dit is precies de grens tussen zeggen en zwijgen waarop Breukers in zijn nawoord doelt.

Vandaar ook ‘Bok’, dat ik niet anders kan lezen dan als het zelfportret van de dichter die de beperktheid van zijn aspiraties onderkent, maar weet hoezeer hij daaraan gebonden is:

Bok

Zijn kop: een Tibetaanse boer
die hoopvol naar de berg kijkt.
Binnen handbereik de top,
het eindeloze blauw.

Niet kunnen gaan. De grijnslach
uit berusting en daarna alles
vreten, behalve touw.

Tenminste twee gedichten verdienen het om tot in lengte van jaren gebloemleesd te worden. Dat is in de eerste plaats ‘Lijzig’, dat nog te lezen valt op de site van Laurens Jz. Coster. Het tweede is het kostelijke ‘Ansichtkaart’, dat hier in voordracht van Wim Brands zelf te beluisteren is.

Ansichtkaart

Terug van vakantie vlooi ik door de post.
Er is een ansichtkaart van mijn moeder.
Sinds de dood van mijn vader

gaat ze elke zomer naar het buitenland.
De Jura, dit jaar. Dat ligt tegen
de Spaanse grens,

had ze gezegd. Ik beaamde dat.
Ik spreek haar niet meer
tegen.

Ik bekijk de kaart. Op de voorkant
een dorp in de bergen.
Op de achterkant

mijn adres en een plakkertje waarop ze
een paar woorden heeft getikt
al voor ze vertrok.

Ik zie haar aan de keukentafel zitten,
achter de oude typemachine.
Een beetje bevreesd:

het buitenland blijft het buitenland.

Alles O.K. hier. Ma.

*****
Wim Brands (1959) was als verslaggever werkzaam bij het Leidsch Dagblad en schreef verhalen voor Vrij Nederland. Tegenwoordig is hij als literair verslaggever werkzaam voor de VPRO, onder meer als presentator van het tv-programma Boeken en het radioprogramma Brands met Boeken.
De vijftig beste gedichten van Wim Brands is mogelijk het eerste deel van een serie bij Compaan te verschijnen bloemlezingen van Nederland­se en Vlaamse dichters onder redactie van Chrétien Breu­kers, die onlangs samen met Philip Hoorne voor dezelfde uitgever ook de bloemlezing De Nederlandstalige poëzie in pocketformaat samenstelde. Opmerkelijk genoeg werd daarin geen plaats ingeruimd voor Brands!

Geplaatst in Recensies.