Een dag met een gedicht is een gelukkige dag

Enkele maanden geleden verscheen bij Uitgeverij De Contrabas Om de zee te bevaren, van de in Friesland geboren Jabik Veenbaas. Sander de Vaan had een mailgesprek met deze dichter, voor wie poëzie een vorm van verbinden is.

Jabik, Om de zee te bevaren is je Nederlandstalige debuut, maar je timmert al een hele tijd aan de weg met Friestalige originele teksten. Ben je ont-Friest?
Dat is uiteraard niet het geval. Je moet om te beginnen bedenken dat alle Friezen tweetalig zijn. Tweetaligheid is niet zomaar ‘een andere taal kennen’, zoals veel Nederlanders bijvoorbeeld vrij redelijk Engels kunnen spreken en schrijven. Het betekent dat je van jongs af twee eigen talen hebt, dat er twee talen zijn waarin je socialiseert. De eerste boeken die ik zelf schreef waren Friestalig, maar vergeet niet dat ik ook in de tijd dat ik die boeken publiceerde al vertaalde en schreef in het Nederlands. Ik woon al sinds mijn negentiende in het westen, ik heb een Nederlandstalige vrouw en ik woon in een Nederlandstalige gemeenschap. Dat ‘Om de zee te bevaren’ Nederlandstalig werd, heeft te maken met een innerlijk proces, waarbij de Nederlandse taal het simpelweg meer en meer is gaan overnemen. Maar een eigen taal is geen jas die je eventjes uitdoet. Tweetalig ben je voor het leven en vergeten of verloochenen zal ik mijn Friese herkomst nooit.

Zijn er ondanks dat innerlijke proces nog momenten tijdens het schrijven waarop zich Friestalige verzen aandienen die je meer ‘raken’ dan hun Nederlandstalige equivalent?
Die momenten zijn er eigenlijk niet. Wel doen zich een enkele keer ogenblikken voor dat er een Fries woord in me opkomt waarvan ik denk: wat zou dat hier prachtig passen, wat zou je daar deze nuance goed mee kunnen uitdrukken. Met dat woord ‘raken’ verwijs je overigens ook weer naar zo’n aspect van dat complexe fenomeen tweetaligheid. Er zijn tweetalige Friese dichters die vinden dat het Fries dichter bij hun gevoel komt, dat het hen meer ‘raakt’. Maar ook dat hoeft niet per se zo te zijn. Bij mij is het in elk geval niet zo. En als je over mijn situatie nadenkt, zou dat ook wel heel gek zijn: de taal die ik spreek met mijn vrouw, met wie ik al 25 jaar ben, en met mijn zoon, inmiddels acht, zou me dan minder raken dan de taal die ik ooit van mijn vader en moeder leerde. Maar ook in de tijd dat ik begon te schrijven, was dat al niet zo. Ik heb nog een oud schoolschrift uit mijn middelbare schooltijd, waarin mijn eerste poëzieprobeersels staan, dingen die ik schreef van mijn dertiende tot mijn vijftiende. Die dingen zijn allemaal Nederlandstalig, op één na. De dichters die ik op mijn vijftiende las, dat waren mensen als Campert en Vasalis; de grote Friese dichters leerde ik pas later kennen. En toen ik rond die tijd mijn eerste gedichten in de schoolkrant publiceerde, was dat Nederlandstalig werk. Ook mijn eerste echte publicatie, twee gedichten in een boekje geheten Mokumse dichters pleisterplaats (1979), uitgegeven bij De Geus, ik was toen twintig en studeerde net een jaar in Amsterdam, was Nederlandstalig. Ik ben pas veel Fries gaan schrijven in de tijd dat ik Fries ging studeren, toen ik me bewust ging bezighouden met mijn Friese taalachtergrond. En ik studeerde Fries van 1985 tot 1988 (nadat ik mijn studie Engels had voltooid). Daarna heb ik jarenlang veel – maar niet uitsluitend – Fries geschreven.
En nu zal ik je iets geks vertellen: in de tijd dat ik mijn laatste bundel schreef (De sinne, it smelle bêd, myn lichem, vertaald als De zon, het smalle bed, mijn lichaam waren er soms gedichten die spontaan in het Nederlands begonnen. Maar aangezien ik geen zin had om een bundel in twee talen te schrijven, of om meteen een tweetalige bundel te maken, heb ik bij die verzen in het Fries verder gewerkt. En zo werd het een natuurlijke zaak om deze nieuwe bundel in het Nederlands te schrijven.

En als er een gedicht nu spontaan in het Fries zou beginnen, ga je dan door in die taal?
Als zich een situatie zou voordoen, en dat is helemaal niet onmogelijk, dat het Fries op een natuurlijke manier de overhand zou krijgen bij het maken van een gedicht, en ik zou denken dat het aan klank of kwaliteit zou verliezen wanneer ik het in het Nederlands bewerkte, zou ik gewoon in het Fries verder gaan. Ik zie dat op korte termijn niet snel gebeuren, maar over de toekomst doe ik wat dat betreft geen uitspraken. Ik heb nu even het beeld van Theun de Vries voor ogen, van wie ik Friestalige poëzie vertaalde (Alles begint bij de dingen, Querido 2004). De Vries begon toen hij ouder werd spontaan in de taal van zijn vroege jeugd te dichten, terwijl hij zijn leven lang Nederlands geschreven had. Daaraan zie je hoe vreemd en onvoorspelbaar tweetaligheid kan werken.

De Bundel begint met het gedicht ‘Moeder aarde’ en eindigt met ‘De oude man’; wat is voor jou de rode draad in dit boek?
Thematisch sluit deze bundel voor mijn gevoel aan bij mijn vorige boek, vertaald in het Nederlands als De zon, het smalle bed, mijn lichaam. Het gaat in mijn nieuwe boek weer om de aarde, het aardse, de mogelijkheden en onmogelijkheden van het aardse leven. Het opent met een aantal gedichten die oergevoelens omtrent dat leven benoemen. Het openingsgedicht ‘Moeder aarde’ werd geïnspireerd door een heel oud vruchtbaarheidsbeeldje, de zogenaamde ‘Venus van Willendorf’. (Het dateert van ongeveer 25.000 v. Chr.) Dat beeldje vertelde me iets over onze elementaire verhouding tot de aarde – tot de aarde als voedende, vruchtbare vrouw. En zo staan er in het begin van het boek meer gedichten die verwijzen naar wat er voorafging, naar wat er ten grondslag ligt aan onze zogenaamde beschaafde en redelijke samenleving en aan mijn persoonlijke bestaan. Het boek eindigt met een aantal gedichten waarin de vitaliteit, de zin in het leven centraal staat. Het laatste gedicht, ‘De oude man’, geïnspireerd door twee oudere mannen in mijn omgeving, verbeeldt die vitaliteit om zo te zeggen tot het einde toe. Daarom eindigt het ook met de regels: ‘verlangt niet naar de avond/ trekt zijn laarzen aan’.

Maar, ondanks die vitaliteit, blijven wij ook ‘drenkelingen, inderhaast / in droge kleren gestoken, bijeenschuilend / tot we worden opgehaald (…)’, zoals in het fraaie gedicht ‘Oudejaarsavond’ te lezen valt. In een ander mooi gedicht, ‘Waarom’ (bij de dood van Jan Wolkers), schrijf je: ‘waarom schrijven we om / te leven, om de liefde / die eindig is, om de zachte borsten / van een vrouw waarom (…) om de zee te bevaren die ons eiland omgeeft / ons kleine kleine eiland van been en vlees’.
Is poëzie voor jou dé manier om die existentiële eenzaamheid te bezweren?
Ik snap wel dat je die vraag zo stelt. Het beeld van het eiland lokt de formulering om zo te zeggen uit. Ik bedoel met dat ‘om de zee te bevaren’ dat ik het schrijven, de poëzie gebruik om greep te krijgen op de wereldbaaierd om me heen (‘de zee’), om geestelijk te overleven. Het is ook beslist zo dat ik gelukkiger ben en meer in de wereld sta, meer met de wereld verbonden ben als ik gedichten schrijf, en dan vooral als ik het gevoel heb dat ze lukken. Poëzie is voor mij zeker een vorm van verbinden of een zoeken naar verbinding. Maar ik zou zelf dan eerder spreken van het existentieel tekort, het menselijk tekort.

Zijn er nog andere verbindingsvormen waarmee jij dit existentiële tekort tracht te verlichten?
Poëzie schrijven is heel belangrijk voor me, maar als ik alleen dat zou hebben, zou ik doodgaan. De eerste verbindende kracht is denk ik toch wel de liefde. Ook de muziek is trouwens belangrijk voor me (ik zing in een koor en speel piano en orgel), ook de muziek verwijst naar heel dat subrationele veld van voelen en zoeken dat ons maakt tot wezens die mens zijn en geen robot. Ook in het passief ondergaan van vormen van kunst, in het lezen, het luisteren naar muziek of het kijken naar films of toneelstukken of schilderijen kan ik worden aangeraakt door dat ragfijne dradenstelsel. Ik zou niets van dat alles willen missen. Maar gedichten schrijven maakt het af: een dag met een gedicht is een gelukkige dag.

Onlangs overleed de Poolse Nobelprijswinnares Wislawa Szymborska. Is zij voor jou als dichter belangrijk geweest?
Ik hou veel van het werk van Szymborska, ik hou veel van haar speelse filosofische reflecties op het leven. Maar ik geloof niet dat ze invloed op mijn werk heeft gehad. Verwantschap qua toon en manier van werken voel ik eigenlijk meer met een andere Poolse dichter, Czeslaw Milosz. Ik heb een boek dat een flinke selectie van zijn werk bevat, samengesteld en vertaald door Gerard Rasch, dat ik de laatste tijd weer overal mee naar toe sleep. Prachtige poëzie, allemaal metafysica en grote levensvragen, vaak heel helder verwoord, heerlijk.

Tot slot: met welk gedicht uit de nieuwe bundel zou je je aan onze lezers willen presenteren?
Het gedicht dat ik aan jullie lezers zou willen presenteren is het tweede gedicht van de bundel, ‘Boerenbegrafenis’. De aanleiding tot het gedicht was de begrafenis van een vader van een vriend. Die vader was een steile, harde, gereformeerde man, en in het vers tref je cynische verwijzingen aan naar het religieuze.

boerenbegrafenis

alles was eenvoudiger toen:
mannen met benige koppen
bliezen op hun vingers: piepende
deuren, harde riemen, magere
vrouwen als ruwe varens rezen
voerden steeds welgemoed
onschuldige kippen

zoals het vee voor gods aangezicht graasde
en de boer zijn rug rechtte op golgotha
(welige mesthoop onder eeuwigheids dak)

heden verzamelen zijn kinderen zich aan het winderig graf
rillen nog eenmaal voor het bleke gezicht
met de neus, scherp als een potscherf, een
roestig slachtmes stel
dat hij zijn ogen opende: net een
ijsbaan al sinds de oorlog
schaatst niemand meer

hun schorre bede reikt niet ver:
‘vader ach wat zijn wij dan
evenals koeien die de kruisweg lopen
gevallen uit eeltige hand’

Jabik Veenbaas – Om de zee te bevaren
Uitgeverij De Contrabas
ISBN 9789079432486
60 pagina’s, paperback, € 12,50

Zie ook het eerdere interview van Sander de Vaan met Jabik Veenbaas.

Geplaatst in Interviews.