Peter Holvoet-Hanssen – Antwerpen/Oostende

hier komt de stad dichter

door Joop Leibbrand

Antwerpen was de eerste Vlaamse stad met een stadsdichter. Na Tom Lanoye, Ramsey Nasr, Bart Moeyaert en Joke van Leeuwen was van Gedichtendag 2010 tot Gedichtendag 2012 de beurt aan Peter Holvoet-Hanssen en dat is iets wat de stad geweten heeft. Als ‘StadsPeter’ veroverde hij met tomeloze energie vanuit zijn kapersnest de Antwerpse ruimte, waar hij, alles en iedereen inschakelend, als een wervelwind huis hield. Twee jaar lang was hij als een soort welwillende usurpator manifest en dwingend aanwezig, voortdurend met aanstekelijk enthousiasme zijn onconventionele ideeën over stadsdichterspoëzie in praktijk brengend.

Zijn start was meteen al tekenend, want door met een ‘poëziekanon’ gedichten de Antwerpse Grote Markt over te schieten, vuurde hij af waar hij in zijn periode voor wenste te staan: een eigen koers varen voor een eigen vorm, die maximaal effectief moest zijn in het uitdragen van zijn boodschap dat poëzie moet leven in hart en hoofd van allen die samen hun stad zijn.

Zeventien stadsgedichten schreef PHH, ieder gedicht het resultaat van een afzonderlijk project dat in banieren, pamfletten en installaties in ontwerpen van Jelle Jespers vorm kreeg. Daarnaast schreef hij vier gedichten ‘van ‘t stad’, teksten die hij samenstelde uit woorden en zinsflarden die zijn plaatsgenoten aanleverden. Voor het vergaren van die ‘Schat van ‘t Stad’ resideerde hij in het Schoon Verdiep van het Stadhuis, gebruikte hij inzendingen via brief, e-mail en sms, maar ging hij ook actief de scholen in en zocht hij contact met anderstaligen.

In zijn inleiding (hier ‘Parcours’ geheten) en vooral in de uitgebreide aantekeningen bij de gedichten doet hij het zelf allemaal uit de doeken. Opvallend is hoe genereus hij daarbij op de verdiensten wijst van de velen die op de een of andere wijze bijdroegen of hem inspireerden, zoals de honderdjarige dichteres Irène de Weerdt, echtgenote en kinderboekenschrijfster Noëlla Elpers, Marc Purnaels, Ruth Lasters, Bert Bevers en schrijver-schilder Pjeero Roobjee. Maar er vallen veel meer namen.

Nergens is er in PHH’s stadsgedichten ook maar één plek aan te wijzen waarin de dichter zichzelf centraal stelt. Bij hem is het ik geen bron van inspiratie, egocentrische thematiek is hem vreemd, van lyrisch-solipsistische ontboezeming houdt hij zich verre, makkelijk sentiment ontbreekt (de gevoeligheid in ‘Sterrenwijsje’, gedicht voor het Middelheim Ziekenhuis, is van een heel andere orde). In plaats daarvan is het totaal van deze stadsgedichten als een meerstemmige rei waarin PHH een cryptische evocatie geeft van wat een stad in essentie is: net als het gedicht een aparte, zelfstandige entiteit met een volstrekt eigen karakter.
Zo begon hij:

VRIJBRIEF

Zing ‘mijn stad, open u’ – vier torens in de wind die krimpt
wees welkom en Salaam Alaykum – ook wie thuisloos is
gehavend of in de goot: trapt ‘t af, pakt auwen boel
of: schat, ne koffe? Hier, een warme zjat –

Zo dacht ik te beginnen maar de meeuwen streken neer
als boekaniers, o schoon verdiep – het volk beneden u
bij onze woordenkraam, de kathedraal een baken; zie
daar rijst voor ogen poëzie, de spandoek van ons Fien

Zo dacht ik te beginnen maar de geur van gaarkeukens
kroop met de Scheldelucht in mijn gedicht, een stem die sprak

Zijn kop was als een boot: ‘Langs alle kanten voelt ge wind
die waait door ‘t hart van ‘t Stad, van Jef en zijn Marie tot Mo.
‘t Is toch zo simpel, luister goed: hier komt de stad dichter.’

[…]

Het tweede stadsgedicht was het ‘Torenlied’, dat massaal door Antwerpen zelf werd uitgevoerd: een tiental koren, verschillende orkesten, straatmuzikanten, een orgelman, koperblazers vanaf het balkon van de kathedraal en PHH als het bepalend middelpunt daarin, vormgever van het veelkleurige en chaotische van de levende stad:

[…]

laat de kleur van de klokken klinken
laat de zon op kasseien blinken
laat de geur van de Schelde strelen
de wind in de stegen spelen

ding dong ding ting ling ling kling klang (4 x)

[…]

De bundel gaat van de ene bijzondere tekst naar de andere, met als hoogtepunten ‘De Scheldeduiker’, dat op de boeg van het passagiersschip de Festina Lente werd aangebracht, de ‘Brief aan Jérôme’ (geschreven voor de film De veer van César), de ‘Arbre à Palabres’ (de Vertelboom) en ‘Welkom Pierewaaiers’, een verzenlint dat ruim drie kilometer lang over de waterkeringsmuur van de Schelde loopt.
Het slotgedicht is ‘Aangespoeld in Oostende’, en dat is meteen de overgang naar het tweede deel van het boek. Behalve benoemd en bezoldigd staddichter van Antwerpen heeft PHH zich ook steeds schatplichtig gevoeld aan Oostende, door hem zijn ‘maîtresse’ genoemd. Hij schreef er vijftien ‘zeegedichten’ voor, vol onnavolgbare taalacrobatiek, zonder enig spoor van ‘brave schoonzoonpoëzie’: ‘Hoe zal dit schrijven het strand des tijds blijvend overspoelen?/ Wat bezielde, of net niet, deze kuitschietende ‘Kapertein’ van letters & zijn?’
Het antwoord geeft hij in de Oostendse versie van ‘Arbre à Palabres’ zelf:

[…]

uit eeuwig zijn de dingen die wij zingen die wij zingen
de spinnenpoten trillen van de dingen die wij doen
uit eeuwig rijst de zee, het is haar huid die wij beminnen
waarom verwaait het mensenbroed het soezen rond de noen
en zelfs het roezen van een zoen, zo winden wij hun zinnen
als witte wasem in hun kruin; wij spannen hen de spier

[…]

Antwerpen/Oostende biedt nog een paar aantrekkelijke extra’s. PHH besluit het Antwerpen-deel met het korte essay ‘de jagers in de sneeuw’, waarin hij zijn visie op stedenschoon formuleert aan de hand van Pieter Breughel de Oude en Wammes van de Velde. Het Oostende-deel eindigt met het absurdistische verhaal ‘de missie in Oostende’, een groteske. De fijnste bonussen zijn te vinden in een apart bijgeleverd mapje. Daarin de dvd van De veer van César en 35 afbeeldingen – de stadsgedichtontwerpen van Jelle Jespers en foto’s en tekeningen van ‘zeekunstenaar’Jo Clauwaert – die door de lezer zelf moeten worden ingeplakt. Met het uitzoeken en aanbrengen ervan ben je zo een speels uur bezig, de ideale voorbereiding op de lectuur van de bundel.

Holvoet-Hanssens opvolger is Bernard Dewulf. Hij staat wel voor een uitdaging…

*****
De productie van het project Antwerpen/Oostende kwam tot stand in samenwerking met Antwerpen Boekenstad.  De film De Veer van César (Engels ondertiteld) werd gemaakt door Minske van Wijk en Oscar Spierenburg.
Peter Holvoet-Hanssen (Antwerpen, 1960) publiceerde onder meer de dichtbundels Santander (2001), Spinalonga (2005) en Navagio (2008). Samen met zijn echtgenote, jeugdauteur Noëlla Elpers, vormt hij Het Kapersnest.

 

Geplaatst in Recensies.