Een oer-Hollands gedicht

Meteen de eerste keer dat Vlamingen mee mochten doen, won oud-Meandermedewerker David Troch uit Sint-Denijs-Westrem de Turing Nationale Gedichtenwedstrijd. Uit handen van juryvoorzitter Ramsey Nasr kreeg hij een bedrag van 10.000 euro.
Het winnende gedicht,’wij waren geen jongens’, is hier te lezen en te beluisteren. "Een oer-Hollands gedicht," volgens voorlezer Rob Schouten, "een gedicht dat iets zegt over de oercultuur van Nederland". Davids regelmatige bezoeken aan Nederland hebben blijkbaar invloed gehad.
Overigens hadden zeven van de twintig hoogstgeplaatsten bij de Turing Nationale Gedichtenwedstrijd al eens in Meander gepubliceerd. Naast David waren dat Inge Boulonois, Peter Knipmeijer, Peter W.J. Brouwer, Paul Roelofsen, Fred Tak en Runa S.  

Binnenkort verschijnt van David de bundel buiten westen. In deze Meander daaruit drie gedichten uit de zevendelige cyclus ‘beeldbuis’.
lees de gedichten.

Van 2004 tot en met 2006 vertelde David in Meander regelmatig over de belevenissen van Barwoutswaerder  in de literatuur.
Zie https://meandermagazine.nl/l/index.php?pagina=1&atr=troch. Gevraagd naar hoe het hem tussen toen en nu is vergaan, antwoordde hij als volgt.

Klopjacht
 
We hebben hem. Eindelijk triomf. Vijf jaar lang hebben we minutieus het land uitgekamd, in het kleinste gehucht hebben we naar hem gezocht. Op straat hielden we oude vrouwtjes staande, roddeltantes die in zulke gehuchten altijd alles gezien en gehoord hebben, en we toonden hen foto’s. Foto’s van hem.
‘Nee, ken ik niet, nooit gezien’, zeiden die oude vrouwtjes ons.
Dus lieten we hen ook andere foto’s zien. Foto’s van hem zonder bril, zonder baard, met kortgeknipt haar. Niet dat we dachten dat hij zich een vermomming zou aanmeten, daar leek hij ons de man niet naar, maar je weet maar nooit.
Soms kwam de mogelijkheid bij ons op dat hij met zijn inktblauwe auto in een kanaal gesukkeld was en dat hij slechts per toeval weer boven water zou komen. Omdat er op een mooie lentedag gedregd werd naar een ander lichaam, precies op de plek waar hij in volle vaart over de vangrail was gegaan. Maar die mogelijkheid veegden we altijd snel van tafel.
Hij moest in leven zijn. Hij moest ergens zijn.
We zouden hem bij de lurven grijpen. Het was alleen maar een kwestie van tijd. Wie daarin niet langer geloofde, zetten we op non-actief. Twijfelaars hielpen ons geen meter vooruit.
Uiteindelijk bleef een harde kern over, vier mannen, vier vrouwen.  Op geen enkel moment kreeg ons zelfvertrouwen een knap of een knauw. Al moeten we toegeven, vijf jaar dag in dag uit jagen op een onvindbare schim, het beïnvloedde onze eetlust. Dan eens waren we graatmager, dan weer gingen we ons te buiten aan vreetbuien.  
Nu zouden we elk een gigantische slagroomtaart op kunnen en de ene champagnefles  na de andere kunnen leeg kegelen, maar we moeten gefocust blijven, bij de pinken, bij de les. Onze taak begon pas toen we hem onder het oog van de camera van zijn schuilplaats naar onze verhoorkamer brachten.
U was er allemaal getuige van dat hij heel rustig tussen twee van ons in zat, op de achterbank van onze terreinwagen, en dat hij de hele tijd stoïcijns strak voor zich uit bleef kijken. U kreeg vast de indruk dat vluchten hem niet interesseerde, maar daar heeft u het mis. Hij zocht een uitweg. Dat was maar al te duidelijk en we hadden hem dan ook uit voorzorg geboeid. Meer, buiten beeld hielden onze vier collega’s in de terreinwagen achter ons hem constant onder schot.
Had u dat geweten, u had dat deel van de live-uitzending vast minder saai gevonden. We kunnen ons voorstellen dat u het stomvervelend vond dat er tijdens het transport geen woord werd gesproken en dat u ongeduldig zat af te tellen tot dit moment, het moment waarop we het licht van een leeslamp pal in zijn gezicht richten en hij verblind zijn handen voor zijn ogen slaat.
‘Naam?’, vraagt één van ons, de teamleider, bits.
‘Barwoutswaerder’, zegt hij zonder verpinken. Als iemand van u nog twijfels had over zijn identiteit, dan heeft hij die nu zelf weggenomen.
‘En u bent een kabouter, dat is correct?’
‘Het is te zeggen.’
‘Ja of nee.’
‘Zo ongeveer, ja.’
‘U dook vroeger gedurende enkele jaren her en der op om er daarna tweewekelijks over te berichten in het literaire webmagazine Meander?’
‘Jullie zijn duidelijk goed geïnformeerd.’
‘Maar u bent daar erg plots mee opgehouden. Zo plots dat u de afgelopen vijf jaar ondergedoken leefde.’
‘Ondergedoken? Hebben jullie je verstand verloren? Denken jullie echt dat ik al die jaren geen enkele stap buiten de deur heb gezet en alleen maar naar de vlammen in de open haard heb gekeken?’
We kijken elkaar licht verbijsterd aan. We zijn er zeker van dat u in de huiskamer ook niet weet wat u hoort. De teamleider laat zich echter niet van de wijs brengen, daarom is hij ook teamleider.
‘Beweert u nu’, hervat de teamleider de ondervraging, ‘dat u gewoon onder de mensen kwam zoals u dat altijd al deed? Dat u doodleuk verder aan cultuur deed? Waarom schreef u daar dan niet over?’
‘Om jullie een plezier te doen zeker’, zegt Barwoutswaerder snuivend. ‘Ga toch wandelen.’
De teamleider springt zodanig hard van zijn stoel op dat die omkantelt en met veel lawaai op de betonnen vloer terechtkomt.
‘Wij hebben op geen enkel moment te kennen gegeven dat u daarmee mocht ophouden’, schreeuwt de teamleider. We moeten hem met zijn drieën tegenhouden, hij dreigt Barwoutswaerder naar de keel te vliegen.
‘Ik heb aan niemand verantwoording af te leggen’, zegt die.
‘Denk dat maar niet, stuk onbenul’, roept de teamleider die we nog steeds in bedwang moeten houden. ‘Wij en wij alleen bepalen waar je mag gaan en staan. Vertel dus maar waar je zoal uithing en wie je allemaal sprak. Wij willen namen.’
‘Die krijgt u niet.’
‘Gaan we een beetje stoer doen? Het is niet omdat er camera’s op staan, dat wij ervoor terugdeinzen om geweld te gebruiken. Ik ken nog wel een paar nieuwe foltertechniekjes die ik graag eens wil uitproberen.’
‘Kleine kindertjes moeten maar weg zappen.’
‘Precies. Ik bedoel, nee, godverdomme, maak er nu geen cabaret van.’
‘Ik zeg al niks meer.’
‘Fijn. Maar praten zal je!’ En de teamleider weet zich los te werken en heft zijn vuist, klaar om uit te halen.
‘Oh ja? Dus jullie willen per se weten dat ik met oude dichters aan wankele houten tafeltjes bier zat te hijsen en dat die oude dichters dat in een veel hoger tempo konden dan ik. Jullie willen weten hoe het de wonderlijke jongedame nog vergaat. Jullie willen een beetje in mijn privéleven zitten graven. Doe me een lol en ga mijn nieuwste dichtbundel lezen.’
Barwoutswaerder windt zich duidelijk op. Hij springt op zijn beurt furieus van zijn stoel op en voordat onze teamleider een antwoord bij elkaar heeft, heeft hij al een keiharde kopstoot ontvangen. Je zou zulke brute kracht niet van een kabouter verwachten, maar onze teamleider is toch maar mooi meteen buiten westen.
 

Geplaatst in Interviews en getagd met .