John Schoorl – Bukshag

Het onverwacht mooie achter het alledaagse

door Roel Weerheijm

‘Bukshag’ is shag in de resten van opgerookte sigaretten, die je op de grond vindt. Van die resten draai je vervolgens een nieuw shagje. Breder: ‘bukshag’ is het zien van iets waardevols in iets alledaags, iets waardevols dat andere mensen doorgaans niet zien.

In een van de gedichten noemt Schoorl het: ‘Wat te zien is, is niet alles wat er is te vinden’. (Dit doet me denken aan Nijhoffs ‘lees maar, er staat niet wat er staat’ – maar daar houdt de vergelijking tussen Nijhoff en Schoorl direct op.)
En zoals het titelgedicht het uitlegt:

Bukshag

Het leven/de dood*
Ligt voor
Het oprapen.

*Doorhalen wat niet van toepassing is.

Bukshag is de titel van de derde dichtbundel van John Schoorl. Een goed gekozen titel bij deze gedichten: veel lichte poëzie waar inderdaad kleine vondsten achter alledaagse observaties schuilgaan.
Het moet me van het hart: het duurde een tijd voor ik de gedichten op waarde kon schatten. Bij aanvang vreesde ik met Bukshag een bundel in handen te hebben vol gezochte, flauwe grappen. En hoewel de bundel tot op geringe hoogte een sfeer ademt van Bart Chabot-achtige poëziegrappen (denk aan diens ‘grafschrift: ben zo terug’) die me maar weinig kan interesseren, drong bij mij later toch de werkelijke kracht van de bundel door: de glimlachende kleine vondst, het onverwacht mooie achter het alledaagse. Neem het volgende gedicht:

Steen op hoofd

In het licht
Van de geschiedenis
Valt een steen

Op een man
Die toevallig

Door een donkere
Straat loopt.

Het contrast licht-donker is aanwezig maar precies niet storend. Zo is er ook het contrast tussen een concrete plaatsaanduiding (straat) versus een niet-concrete tijdsaanduiding (geschiedenis) en de vage, anti-beeldende frase ‘het licht van de geschiedenis’ die contrasteert met het concrete, beeldende ‘een man die door een donkere straat loopt’.
Een mooie vondst, deze zin, en door de compositie krijgt een op het eerste gezicht lullige zin een bijzondere diepte.

Minder alledaags maar nog steeds erg licht is de reeks gedichten over collega-schrijvers en -dichters. Wrang genoeg, maar dat is niet Schoorls schuld, valt nu vooral het gedicht op over wijlen Gerrit Komrij.

Gerrit Komrij

Met schoenen vol bierkots
En een hoofd vol huiver

Wil ik persoonlijk mededelen
Dat zijn literaire reikwijdte,

Niet bepaald is door postmoderne intertekstualiteit
Of een schuivend psychisch perspectief,

Maar dat hij de eerste dichter nog moet tegenkomen
Die hem onder tafel zuipt.

Vreemd gedicht. Schoorl benoemt iets wat volgens hem niet op Komrij van toepassing is (postmoderne intertekstualiteit of een schuivend psychisch perspectief) – maar wat ook nooit onderwerp van essays, recensies of literaire polemieken is geweest rond, over of met Gerrit Komrij. Of heb ik zitten slapen? De laatste strofe klopt ongetwijfeld niet. Los daarvan is het gedicht te rommelig: de beelden werken niet samen, het gedicht bouwt niet op, het eind is te guitig.

De serie ‘Vlaamse velden 2.0’ bezoekt het Vlaamse land dat in de Eerste Wereldoorlog door loopgraven doorsneden was. Nog altijd is dit het buitengebied, waar niets gebeurt: boeren trekken bieten uit de grond, de tegenstander van de volgende wedstrijd van voetbalclub KS Zillebeke is nog onbekend. Schoorl combineert oorlogsvocabulaire (loopgraaf, soldatenkistjes, mosterdgas) met alledaagse beelden, beladen woorden als ‘Adolf H.’ en ‘Ieper’ met banaliteiten als een countryavond. Terwijl de locatie en de grond nog altijd de schuld van de vreselijke Eerste Wereldoorlog uitademen, kruipen de dagen in de lokale dorpen voort.
Mooi, maar ook een beetje geforceerd, zoals in de volgende strofe:

Er zijn weer nieuwe aardappels
Dit jaar, bij de begraafplaats
Waar je Deutschland, Deutschland
Über alles hoort zingen.

Een direct verband tussen de Eerste Wereldoorlog en de huidige plattelandse rust van West-Vlaanderen is in de poëzie al eerder getrokken. Schoorl maakt het onlosmakelijke verband duidelijk in alledaagse woorden die de diepte van het verband des te pijnlijker maken. Toch is het jammer dat de directe confrontatie van vocabulaire uit die twee verschillende werelden nu te direct op elkaar botsen.
En natuurlijk: Adolf H., waarvan deze cyclus een borstbeeld beschrijft, hoort in dit rijtje niet thuis. Hem op deze manier symbool maken van de Eerste Wereldoorlog vind ik een wrange fout.

Nee, een meesterwerk is Bukshag niet. Het is een fijne bundel observaties en mooie vondsten achter alledaagse dingen, met enkele sterke taalvondsten. Meer niet – en daarmee voldoet Bukshag precies aan de vooraf gestelde pretenties. Missie geslaagd.

***
John Schoorl (1961) is verslaggever en onderzoeksjournalist bij de Volkskrant. Hij publiceerde verschillende bundels met muziekverhalen, waaronder De naald erin (2003) en De dag dat ik naar de Arctic Monkeys ging (2011). Met Een soulman in de Achterhoek won hij de Pop Persprijs 2006. Bukshag is zijn derde dichtbundel, na A Capella (Sandwichreeks, 2007) en Uitloopgroef (2009).

 

Geplaatst in Recensies.