Een beetje talent hebben is erg gevaarlijk

De afgelopen avonden heb ik doorgebracht met het nieuwste boek van Thomas Rosenboom, De rode loper, een roman over twee Gelderse jongens die na hun middelbare schooltijd besluiten hun droom te verwezenlijken. Eddie wil journalist worden, Lou roadie bij een band. In plaats van een studiebeurs vragen ze een uitkering aan. Alles lijkt mogelijk, ze zijn jong, weten wat ze willen, en zijn goed in hun werk. Maar Eddie van de Beek wordt al snel Eddie van de Week die blijft hangen bij regionaal nieuws, terwijl Lou’s band niet beter wordt en uiteindelijk zelfs verdwijnt. Lou begint een eigen studio en later een underground bioscoop. Beide projecten beginnen goed, maar langzaamaan stagneert het succes.

Veel scènes spelen zich af in de rockwereld, in cafés, bars, hangplekken…. Het boek roept bij mij een heimweegevoel op naar de plekken waar ik als studente Nederlands in Nijmegen vaak te vinden was: alternatieve poppodia als Doornroosje, Merleyn, Diogenes… Vandaag bel ik naar Amsterdam, waar Thomas Rosenboom woont, en vertel hem over mijn studentenheimwee. ‘Een nostalgisch verlangen! Dat deel ik’, reageert de schrijver opgetogen.

‘Die plekken, en vooral Doornroosje, had ik voor ogen bij het schrijven van dit boek. Het ging natuurlijk ook over mijn directe omgeving: Arnhem, Zevenaar… Ik heb drie jaar in Nijmegen gestudeerd (Psychologie, red.), voordat ik naar Amsterdam ging (om Nederlands te studeren, red.), en was vaak te vinden in de kelder van Doornroosje, waar ik repeteerde met mijn bandje. Ik was basgitarist. Al vanaf de middelbare school droomde ik van een rock ’n roll bestaan. Dat bandje was erg klein, we maakten progressieve instrumentale popmuziek, met van die eindeloos lange nummers. Niet erg toegankelijk. De enige die echt goed was, was de pianist. Toen hij gevraagd werd door een andere band, werd die van ons opgeheven. Het was de nekklap.’ 

Er valt een lange stilte. ‘We waren niet goed genoeg om echt verder te komen met de muziek. Dat zagen we op tijd in. Een beetje talent hebben is erg gevaarlijk. Je kunt beter geen talent hebben. Dan kom je niet in de verleiding om ál je tijd te steken in iets grilligs als muziek. Of kunst. Ik ken mensen die de kunstacademie goed doorlopen hebben, en dus ook wel wat kunnen, maar niets de wereld in konden brengen of verkopen. Je moet je onderscheiden, écht getalenteerd zijn en béter zijn dan de rest, anders ben je verloren. En als je dan niet gestudeerd hebt of andere ervaring hebt opgedaan, wat moet je dan doen met de rest van je leven?’ 

 
Rosenboom brengt zijn dagen schrijvend door. Hij is er acht uur per dag mee bezig: vier uur denkt hij na en vier uur schrijft hij. ‘De schrijverij, dat was niet míjn droom, dat was muzikant zijn. Ik wou zo graag bij die wereld horen, maar ik was niet artistiek en muzikaal genoeg. Ik kijk nog steeds op tegen echt goede muzikanten. Elke dag luister ik naar de nieuwste CD van The Golden Earring. Je zou maar in zo’n band zitten, mensen uit hun dak kunnen laten gaan door jouw optreden…’ Hij zucht. ‘Ik lijk wel wat op Eddie die het liefst Lou zou willen zijn. De man met de woorden die rocker wil zijn. Maar ik kan nu eenmaal niets anders.’ Toch is de auteur tevreden met wat hij heeft. ‘Ik lijk ook wel weer op Lou, die best blij is met het beetje wat hij meemaakt. Vroeger nam hij de meisjes mee naar huis, maar als vijftigjarige durft hij niet meer. Als hij dan 1 x per week met de wereldvreemde, mooie Lena op stap gaat, betekent dat veel voor hem. Daarvoor had hij niets. Ik vind het leven ook wel goed zoals het is. Ik blijf vooral thuis. Ik ga niet graag op vakantie, dat vind ik te spannend. Haal ik de trein wel? En het vliegtuig? Wat gaan we doen als we aankomen? Ik laat me niet soepel meenemen door gebeurtenissen. Bovendien heb ik niet zoveel behoefte aan vakantie, dat komt doordat ik geen vaste baan heb. Ik hoef me niet te forceren bij het werken. Als ik moe ben, stop ik. Dan drink ik een glas wijn op de bank. Ik lees niet meer zoveel, ik merk dat ik me niet meer zo goed kan concentreren. Vroeger wel, ik was overweldigd door Dostojevski’s ‘Misdaad en Straf’. Dat was alsof ik storm, natuurgeweld meemaakte. Goeiegenade, wat een kracht gaat er uit van dat boek! Later herlas ik vaak stukjes uit boeken van W.F. Hermans wanneer ik vast zat bij het schrijven. Dan zag ik dat niet elke zin prachtig hoeft te zijn. Het werk van Hermans is heel mooi, maar zijn zinnen vrij eenvoudig. Dan kan ik weer vooruit. Het gaat uiteindelijk om het verhaal.’ 

Zonder fantasie geen uitweg? Zoals Eddie Lou en zichzelf geregeld toefluistert in het boek… ‘Dat is met alles zo, toch? Iedereen weet het: als je verliefd bent, idealiseer je de ander. Een ochtendadem ruik je niet eens. Je geest, maar ook je lichaam ervaart alleen de prettige dingen van de ander. De liefkozing is het belangrijkst. Als de verliefdheid over is, kan het vervreemdend zijn om te zien hoe je ervoor dacht.’ Hij lacht: ‘Dan wil je toch liever dat je vriendin haar tanden poetst.’ Langzaam: ‘Ja, dan word je wakker en ziet dat de ander niet perfect is. Ik ben lang heel onzeker geweest. Tien jaar geleden ben ik daarmee gestopt, ik werd er te oud voor. Ik twijfelde over mijn uiterlijk, over alles wat ik maak. Zelfvertrouwen geeft vrijheid. Ik steek al mijn tijd nu in mijn creatie, niet meer in verwachtingen of zinloze gedachten.’ Hij versnelt: ‘Onzekerheden leiden er uiteindelijk wel toe dat je extra je best doet. Als ik om me heen kijk, zou ik wensen dat sommige schrijvers en BN’ers wat minder zeker van zichzelf zouden zijn. Ze gaan maar door zonder zelfkritiek. Op die manier verbeteren ze hun werk nooit.’

‘De Rode Loper’ is redelijk ontvangen door de pers, maar niet zo lovend als eerder werk van Rosenboom. ‘Dit boek is anders dan mijn eerdere boeken. Dat klopt. Het is jammer dat dat toch een beetje verwijtend klinkt, alsof ik steeds maar iets voorspelbaars zou moeten schrijven. Maar de reacties hoeven zeker niet alleen maar positief te zijn. Ik heb genoeg complimenten gehad voor de rest van mijn leven, ik durf wel te zeggen dat ik tevreden ben over wat ik tot nu toe geschreven heb. Nu is het zaak om na dit boek weer iets te creëren. Het heeft geen zin om dat te forceren. Ik wandel rond, probeer er niet te veel aan te denken en opeens stuit ik dan ergens op. Ik houd van het ouderwetse van schrijver zijn. Net als een schoenmaker máák ik iets. Het was er nog niet en na verloop van tijd kun je het vasthouden.’

Het is bekend dat de auteur veel onderzoek doet voor zijn boeken, zeker wanneer het verhaal zich in het verleden afspeelt. Deze roman speelt zich vooral in deze tijd af, en af en toe in de jaren zeventig. ‘Ik heb geen historische research hoeven doen. Het ging over een tijd die ik kende. Ik ben wel naar een filmmuseum en geluidsstudio geweest, zodat ik wist hoe ik de technische aspecten moest beschrijven in sommige scènes. Ik wil wel dat het geloofwaardig is wat mijn personages doen.’

In ‘De Rode Loper’ nodigt Lou zijn publiek uit om in stijl, over de rode loper, naar de film te komen. Pers en fotografen zijn aanwezig en het publiek zal erna minutenlang naar zichzelf kijken in de zaal. Deze avonden zijn drukbezocht, in tegenstelling tot de gewone filmavonden, de mensen kijken blijkbaar het liefst naar zichzelf. In hoeverre lijken de mensen die graag over de rode loper lopen op deelnemers uit realityshows en talentenjachten? 

‘Heel veel. Maar dat is niet bewust. Ik had in mijn vorige roman Zoete mond ook al geschreven over een man die op een dwangmatige manier in het middelpunt van de belangstelling wil staan, door rare grappen te maken. Ik kijk nauwelijks tv, ik heb er tien jaar geen gehad, maar kan me wel ergeren als ik in een flits iets zie van die sensatieprogramma’s. Of op straat, bijvoorbeeld wanneer er iemand luid lachend met een bizarre hoed rond loopt. Die mensen verdienen die aandacht niet. Het leidt af van de mensen die wel iets kunnen, die wel de aandacht zouden moeten opeisen, die erkenning zouden moeten krijgen. Men zegt wel eens dat succes corrumpeert, maar gebrek aan succes kan ook corrumperen. Ik zou willen dat de juiste mensen, die niet tevreden zijn over zichzelf maar het wel zouden moeten zijn, succes ervaren en niet degenen die het niet nodig hebben.’

‘Om over de rode loper te lopen zonder ander doel dan jezelf er even later overheen te zien lopen op het witte doek: het narcisme zou tot een nieuw hoogtepunt verleid worden, in deze concentratie was het nog nergens vertoond, in wezen kon je het hele project zien als een vorm van maatschappijkritiek, maar die achterliggende gedachte moest Lou maar beter voor zich houden, want als de mensen wisten dat ze bij hem op de rode loper voor gek liepen kwamen ze niet meer […].’ (De Rode Loper, p. 182, 183)


Voor meer informatie over de auteur en zijn optredens: surf naar www.thomasrosenboom.nl.

Geplaatst in Interviews.