Gedichten

Het is niet

Het is niet dat de mussen schuw
onder de daken kruipen, dat je
al meer dan een week geen enkel
gedicht geschreven hebt,

dat de muzen zichzelf bedruipen
dat zijn lippen bij haar oorring
dat een gerookte kipsandwich ligt te
verpieteren omdat je uit pure nijd

iedere kruimel wilt verkwisten
terwijl je onder de stoppelkin
van je buurman door zijn blote
hals verslindt, het is niet dat

je de pijnpunten opzoekt en de vraagtekens
voor lief neemt, een kapot hart
valt te repareren of desnoods op te strijken
met liefdevolle hand, alleen hij mag het

vertrappen zo vaak hij wil
hij mag je gedichten verbranden
van de daken schreeuwen dat jij
het satijn met messen verwondt…

Het is dat jij achter hem aan
en in het voorbijgaan roept
het was mooi wat je zei, maar hij
is allang vertrokken naar een ander land.

Over het IJ

De oude dichter strijkt zijn baard
glad, wind veegt zijn haren over zijn
schedel. De zon ligt zwaar op het
IJ. Ik ben zojuist weer eens

gestorven, hij reanimeert mij
met een verhaal. Over dronken
dode dichters met de pont over
de dansende baren van de

Zuiderzee. Ik zag ze zich lallend
onder de kerkgangers begeven. We
grinnikten dat ze er scheurbuik
van kregen. Zwaar als een onweersbui

lag het godsdienende op het
gemoed van de jonggestorven dichter.
Ik herinner me de reizen die ik
als zelfverklaard matrozenkind maakte. Mijn

oude dichter zwijgt. Zijn besproete
hand wordt gedragen door mijn
doorleefde rug. In de verste verte
doet hij me aan mijn vader denken.

muzeval

ik wil je muze niet meer zijn, zei hij
wat moet ik met die eer en glorie?

het is niet dat ik het niet verdien
natuurlijk ben ik groots als een goliath

natuurlijk ben ik gegroeid tot in de wolken
en verheven als de rijzende zon

maar weet je niet van ikarus
die met zijn vleugel langs het vuur streek

bovendien ben ik geen feminist
en wil mijn pantoffels aangedragen krijgen

niet tot de held die jij mij dicht
maar een gewoon en dagelijks verdwijnen

al die bloemen van papier en kloppend papaverbloed
ik heb liever de rauwe werkelijkheid

waar ik dicht bij de grond
de stofkorrels tel, mijn snuit in haar schoot

zoek maar een ander voor je strooptochten
je gedobbel met de woorden van het kwaad

zo diep kan een muze vallen
zo op de vleugels gedragen en nu

leg ik je weg in het fotoboek
voor mijn persoonlijke gedachtegoed

je vraagt wel wat van een dictator, zeg ik
de muze kan niet met ontslag

alleen uit zijn functie worden ontheven
door de dood kijk maar mijn pen zit vol lood

Geplaatst in Gedichten en getagd met .