Gedichten

Van wie verlaten

Hij staat van wie verlaten
vangt onzichtbare vliegen, weet niet
dat hij zelf die vleugels heeft

Zijn jas hangt jankend om hem heen
Sommige mensen groeien alleen in de winter

De moeder neemt de mantel
wil wel maar weet niet waar
die aai te plaatsen, vouwt
zorgvuldig, plaatsvervangend

Van de stof moet iedereen nadenken
te hard, besluiten ze, te veel
onbekende uitdrukkingen, beklemmende vingers
trekken aan een moedermouw. Hij zingt

Pak me dan, begrijp me
Ze kunnen hem toch niet krijgen

Negeer de pijlen

Van een halve sinaasappel
kun je een asbak maken
Van een asbak een bewaarbakje
dat is een dingendoos die je
als kist kunt inrichten
voor een klein dood huisdier
Van een doodskist met zand erover
kun je een moestuin maken,
van een tuin met geduld een bos
Van het hout een huis met een schoorsteen
en als je weet wie de rook verdwijnen zag,
de warmte voelde, een thuis
Van een thuis een herinnering,
van een herinnering een monster,
van een monster een aanwijsbare reden
Een aanwijsbare reden is iets
de verkeerde kant op uitstippelen
Uitstippelen is binnen de lijntjes blijven
Van die lijntjes knoop je net geen touw
waarmee je het monster in de moestuin
kunt bedwingen, het beest dat nu
door het hout naar binnen tocht
dat je creëerde met het besef
Je kunt niet meer terug
Die asbak wordt nooit meer
een halve sinaasappel
 

 

Reiger

Zet me op
als een reiger ongeveer
Vouw me
tussen het riet
En geef me die balende blik
over het water en de wereld

Maar aai me
voordat je kraaloogjes bevestigt
en me voor altijd aan de kant zet

nog een keer
over mijn gekrenkte rug
 

Geplaatst in Gedichten en getagd met .