Gedichten

Stilleven

Ik denk soms ook: ach, laat ze maar
ik heb de taal niet uitgevonden en de tijd
die veegt me uit met een streep verf
op een woest schilderij

-ik weet die namen niet van schilders-
ik kijk naar strepen veeg ze uit
mijn ogen. Ik kijk alsof de tijd
een zoete roze limonade is die

door een rietje kruipt mijn tong
wil spreken maar de tijd die sluipt
over mijn papillen verbittert tot zoet

het tast mijn tanden aan ze waren
wit en onbeschreven tot ik lopen
leerde. Nu denk ik alleen in tijd.

Prehistorie

Juist als je goedheid wilt bereiken kruipt
uit de modderige sloot een koe
die melk geeft je neemt gewassen
handen en een kruk, plaatst de emmer

en begint. Je zwijgt. Neemt leven
in ontvangst. Je buigt voorover
bij wijze van dank. Je leegt
de emmer in collectiviteit.

Duikt onder in de dorspkroeg.
Je stoot met ballen over tafel
drinkt een glas, je proost.

Op de radio klinkt Elvis Presley.
Iemand spreekt van Vietnam.
De kroeg loopt langzaam leger.

Vier Seizoenen

Nooit had je beweerd dat de sprookjes die je las
zouden eindigen. Nooit had je beweerd dat alles
goed zou komen dat de wolven in het bos daar
zouden blijven. Ik geloofde alles. Angst sloot

mijn keel en langzaam kroop het donker door
de kamer met de jaren steeg de verwarring.
Jij vertrouwde je tijd met een ander die drank
verdronk in zijn keel en vuur bulderend huis

hield. In de mijn kamer rook ik brand. Onraad nam
alles in bezit. De kachel likte blauw vlammend.
Alles wist ik werd gewist door de vlammen

oranje en blauw. Warmte werd koude. Zomer
zon op winter. Bladen vielen kleurend af.
Ik wist hoe alles stil en willoos.

Geplaatst in Gedichten en getagd met .