Michael March – Half Pint / Half Vol

Wat uniek is, heeft pijn aan zichzelf

door Joop Leibbrand

De dichter Michael March (New York,1946) woont en werkt in Praag, waar hij directeur is van het Prague Writers’ Festival. Hij publiceerde eerder vijf dichtbundels – Goya, When she danced, Disappearance, Only a Promise en The Way Back – maar tot aan de uitgave van Half Pint / Half Vol had ik nooit eerder van hem gehoord. Als zijn eerdere werk net zo bijzonder is als de bundel die nu verschenen is, heb ik iets gemist, en waarschijnlijk velen met mij.

Hoe de nieuwe bundel – een wereldprimeur, want nog niet als zelfstandige Engelse uitgave verschenen – bij het Nederlandse De Contrabas onderdak vond, wordt niet duidelijk gemaakt, maar de bemoeienis van Arnon Grunberg zal er niet vreemd aan geweest zijn. Grunberg is sinds 2006 met March bevriend, was deelnemer aan het Praagse festival in 2007 en wat meer is, hij schreef speciaal voor de bundel een inleiding waarin hij niets verheldert maar veel duidelijk maakt. Wat mij betreft vooral dat hij en March verwante zielen zijn in een aparte voorliefde voor snelle redeneringen in een onnavolgbare rationele absurditeit – of min of meer absurde rationaliteit. En dat alles met een flinke dosis cynisme.

De teksten die March schrijft zijn strikt genomen geen gedichten, niet eens prozagedichten. Ze hebben soms iets weg van aforismen, lyrische aforismen zo men wil, maar doen me qua vorm meer denken aan het genre van de Pensées zoals Pascal die schreef, of aan de maximen en axioma’s van La Rochefoucauld en Chamfort. En af en toe had ik een associatie met de Ideeën van Multatuli, maar alleen waar het de kortste notities betreft. March voegt zich, net als Grunberg, moeiteloos in dit rijtje van ‘vernuftige’ geesten.

De teksten in Half Pint/Half Vol zijn doortrokken van het werk van collegadichters, schrijvers, filosofen en historische figuren, die regelmatig geciteerd worden. Al zou het ook zomaar zo kunnen zijn, dat sommige van die citaten apocrief zijn en aan de pen van March zelf ontsproten zijn. In ieder geval komt een bont gezelschap voorbij: Lenin, Marcus Aurelius, Camus, Pasternak, Majakovski, Havel, Auden, Broch, Heidegger, Celan, Kafka, Rimbaud, Stalin en nog diverse anderen die zich ongetwijfeld verbazen over het gezelschap waarin ze hier verkeren. En dan met name de figuur van Half Pint zelf, die het als levensbeschouwer en denker over de wereld in zich heeft om uit te groeien tot een nieuwe meneer Cogito. Mevrouw Despina komt minder in aanmerking.

107 ‘gedichten’ bevat de bundel (bij gebrek aan beter moet het woord toch maar gebruikt worden), meestal vier per bladzijde, links het Engels, rechts de vertaling door Chrétien Breukers, die zich als uitgever deze klus kennelijk niet wilde laten ontgaan en van het tamelijk eenvoudige Engels prima Nederlands maakt.

Een voorbeeld:

“Three things in the world he loved-
the choir at vespers—white peacocks—
and worn maps of America.”
Half Pint didn’t like crying children—
or tea with raspberry jam.

“Van drie dingen in de wereld hield hij—
Het koor tijdens het avondgebed—witte pauwen—
en versleten kaarten van Amerika.”
Half Vol hield niet van huilende kinderen—
of van thee met frambozenjam.

Omdat ik bij God niet zou weten hoe deze bundel verder te bespreken, geef ik wat voorbeelden van gedichten die me aanspraken. Onderling vertonen ze geen samenhang, maar dat geldt voor de hele bundel, die desondanks merkwaardig consistent is.

Praag eerbiedigde van oudsher de wet—geen respect.
Half Vol zag de wet als een straf.
Als iedereen schuldig was—wie moest er dan worden gestraft?
Alleen diegenen die veinsden—dat ze onschuldig waren.

*

“De wereld is vergrendeld—en wacht—om te worden ontsloten.”
Half Vol begreep de combinatie.
“Het leven is een plek waar het verboden is te leven.”

*

Half Vol was tegen iedereen—het was zijn geboorterecht.
Half Vol wees met zijn schuldige vinger.
“Iedereen heeft vijanden—de zieken willen gezelschap.”

*

“Wat uniek is, heeft pijn aan zichzelf.”
Half Vol rende alle richtingen uit—zijn eigen hart achterna.

*

Half Vol voedde het creationisme—”We stammen niet af—
van de aap—maar we keren naar hem terug met grote haast.”

*

Camus: “Mijn paradijs bestond uit de maagdelijkheid van anderen.”
Half Vol: “Paradijs—het eeuwig heden.”
Loyola: “Die mensen in een lichaam, op weg naar de hel.”

*

‘Het grootste gevaar—zichzelf te verliezen—kan zich voltrekken
in de wereld, zo geruisloos alsof het niets was. Elk ander
verlies—een arm, een been, vijf dollar, een echtgenote, etc.—moet wel
worden opgemerkt.”

*

“Hij die zichzelf tot beest maakt—raakt de pijn kwijt—
een mens te zijn.”

Als we op de laatste bladzijde van de bundel zijn aangeland, is het alsof je Armando hoort, ook zo iemand die dwars en eigenzinnig in het leven staat en het ongerijmde niet schuwt, omdat juist dat vaak raakt aan iets essentieels.

“We ontwikkelden onze eigen criteria—voor schoonheid.
De mooiste stad?
Frankfurt—teruggebracht—tot puin.”

*

Hij—”die spreekt over de vijand—spreekt over zichzelf—.”

*

De wond—blijft—onzichtbaar.

Wat een ontdekking, die March.
Hier is meer te vinden: http://vimeo.com/56972667 en
http://www.zeitzug.com/index.php?option=com_content&view=article&id=5&Itemid=5

 

Geplaatst in Recensies.