Ik beschouw de poëzie vooral als een moeilijk lief

Tom Marien (1979) publiceerde korte verhalen in Gierik & Nieuw Vlaams Tijdschrift. Zijn jeugdromans Vlucht en Vuist verschenen in 2008 en 2010 bij Uitgeverij Manteau te Antwerpen. Is hij nu stevig op weg om zijn eerste dichtbundel bij elkaar te schrijven?

Tom MarienVan proza naar poëzie?
In de roman Vlucht voer ik een hoogdravende jongeling op die luistert naar de naam Ben Arends, niet toevallig een verwijzing naar dichter Jan Arends. Als een bezetene jaagt Ben gewichtloosheid na. Op zijn motorbeest, in het woord  – vooral gedichten –  en in de liefde.
Ik kan het niet ontkennen, de poëzie heeft al in mijn romandebuut een bijzondere plaats gekregen. Dat werd ook opgemerkt in het provinciestadje Lier waar ik woon. In opdracht van de stad schreef ik twee gedichten. Een ervan is een indoorgedicht, het andere een muurgedicht. Die gedichten hebben positieve reacties losgemaakt. Even dacht de stad aan een officiële stadsdichter, maar uiteindelijk ging de aanstelling niet door. De sfeer was al geruime tijd verzuurd. Misschien had een beetje poëzie verschil kunnen maken.

Poëzie maakt verschil?
Ik besef ook wel dat je geen problemen oplost met gedichten. In wezen is de poëzie nutteloos. Toch weiger ik te geloven dat ze zinloos is. Een goede stadsdichter hoort een zekere vorm van engagement te vertonen. Woorden kunnen mensen in beweging brengen en een gedicht schrijven, lezen en doorgronden kan ook bijzonder verkwikkend werken. Op zo’n trein der traagheid stappen geldt haast als een daad van verzet tegen de snelle beeldcultuur die het vertrouwen in woorden niet meteen aanscherpt. En wie wil er nu geen zachte rebel zijn?

Zie je gedichten dan als wapens?
Gedichten kunnen als wapen worden ingezet. Toch focus ik me liever op het spelelement. Je kunt als dichter niet alleen spelen met betekenis, je speelt ook met klank en ritme. Maar ik beschouw de poëzie vooral als een moeilijk lief. Ik wil altijd bij haar zijn, ik ben bereid haar veel te geven, maar het liefst van al neem ik haar. Ze is verschrikkelijk wispelturig, waardoor ik genoodzaakt ben om mijn kijk op haar voortdurend bij te stellen. Enkele jaren geleden geloofde ik nog dat een lekker potje poëzie complex moest zijn, vandaag kan zelfs het meest heldere vers mij verrassen. De laatste tijd daag ik mezelf ook vaker uit om ‘blind’ gedichten te lezen. Ik begon te beseffen dat ik een gedicht van iemand die ik bewonder wellicht beter vind dan eentje van een dichter waar ik niets mee heb. Deze manier van lezen heeft al enkele aardige verrassingen opgeleverd. Het gaat niet om wie het geschreven heeft, wat zijn/haar bedoeling is. In the end is daar enkel een entiteit van woorden en wat het met je doet als lezer.

Wat doen die woorden met jou als dichter?
Dat is afhankelijk van het ogenblik. In de loop van de dag kan een vers mij wel raken, maar onder mijn huid kruipen zal het niet. Pas wanneer alles stilvalt rondom mij    -geen gezeur van kinderen uit mijn klas, geen gezeur van mijn eigen kinderen-  zoek ik  de binnenkant van mijn hoofd. Ik blijf daar kijken. Soms vraag ik me wel eens af of dat zoeken nou een literaire activiteit is of niet.  Als ik die dag iets opvallends gelezen heb, komt dat opnieuw bovendrijven. Met zo’n zin – een quote uit een interview, een zin uit een boek of een vers –  ga ik  aan de slag. Met de hand noteer ik een blauwdruk van een gedicht. Nadien volgt altijd het moeizame proces van schrappen en schaven. Een woord van plaats wisselen of vervangen kan een wereld van verschil betekenen. Ik begrijp maar al te goed dat veel dichters hun werk blijven herschrijven. Een gedicht is nooit af.

En de beste gedichten worden geschreven op een armoedig zolderkamertje?
Dat zeggen zij die meer belang hechten aan het dichter zijn dan aan de woorden zelf. Helaas dreigt de realiteit de mythe in te halen. Ik ben bang dat men ook hier de bijl in de cultuursector gaat zetten, zoals dat in Nederland is gedaan. Nu de crisis wild om zich heen slaat, komen er scherpe kantjes boven die anders nooit zouden opvallen. De literatuur en de poëzie zitten, net als andere uitingen van kunst, in de verdediging. Zolang je verstrooiing biedt, ben je oké. Maar als je daar enige vorm van engagement aan koppelt, word je plots gevaarlijk. Aan de ene kant ben ik opgetogen over initiatieven als Gedichtendag en de Poëzieweek. Voor even kruist de poëzie het pad van vele levens. Op school bijvoorbeeld hebben leerkrachten dan wel aandacht voor gedichten. Maar op een donker moment stoor ik me aan het hoge missionarisgehalte van deze activiteiten en geloof ik niet dat de poëzie ermee gebaat is elk jaar zoveel mogelijk zieltjes voor zich te winnen. Het is net omgekeerd: in het beste geval kan de mens iets met een gedicht. 

Die eerste dichtbundel?
… komt er als de tijd rijp is. Ik barst van ambitie, maar mijn bureaulades barsten niet van het materiaal. Ik hoop vooral het podium op te kunnen, zoals ik vaker deed. Het lijkt me heerlijk om het eigen taalgebied te ontdekken met poëzie onder de arm en ik hou van het directe van declameren. Verder wil ik nu eens eindelijk doorwerken aan twee boeken die maar op stapel blijven staan. Gelukkig lopen letters niet weg en ik kan me niet voorstellen dat ik dat ooit van hen zal doen.  

Geplaatst in Interviews en getagd met .