Antoine de Kom – Ritmisch zonder string

Een ontgrensde dichter in een begrensde wereld

door Levity Peters

Je kijkt naar je hand, je strekt je arm voor je uit, en je hand, je arm, zijn een deel van de omgeving. Wat je van de omgeving onderscheidt is het gevoel. Je voelt de warmte van de lucht, je voelt het tochtje, je voelt wat aan je raakt; je beweegt wanneer je dat wilt. En wat je van je omgeving zien wilt, dat zoeken je ogen. Het is een heerlijk gevoel wanneer de grens tussen jou en je omgeving vervaagt, wanneer je je even niet geïsoleerd hoeft te voelen van de jouw omringende wereld; even zonder angst, even niet bedreigd.
De poëzie van Antoine de Kom gaat nog wat verder.
Het gedicht ‘ses barquerres’ van begint zo:

                          ik hier? geloof me met dit alles al eerder dit eiland
al eerder te hebben gedicht en ik ben hier een douchekop te ses barquerres
een douchekop in de felle zon paarsrode bougainvillea’s ben ik hier
groeiend om de hagelwitte muren ik ben aan de zijkant open en dakloos
de buiten aan het huis grenzende douche. deze tuin omgeven door een haag van
[keien

Ik hier? De verbazing over het aanwezig zijn als individu. Ik? Maar ik ben alles wat ik om mij heen kan zien. Het is een mystieke ervaring die hier wordt verwoord. Daarna maakt hij ook ‘een ander’ tot deel van dit proces waarin hij zichzelf in zijn omgeving herkent.

                 ik voel dat wij bladeren zijn op deze dorre grond dat wij zullen –
[…]
de gelijkwaardigheid van alles wat is. zelfs met wat er niet meer is, en wat niet tastbaar is kan de dichter zichzelf en zijn partner identificeren:
[…]
en nu we met wie niet meer is gaan rijden rond het fort zijn wij het die de zee zien
brullen aan het raam van onze slaapkamer zo ongeveer waren we opgestaan om
te gaan slapen kamer 242 met het vuile gebleekte en al lang geleden in een
[hoek
losgeraakte gordijn. hoog boven het zwembad puberde een arend die rond zijn
[moeder
vreemde spiralen beschreef: een nieuwe heliconia. er was ook het geronk en het
[komen
en gaan van de grasmaaier. we wisten dat er geen weg terug was. er waren teveel
uitroeptekens toen we fruit uitdeelden. de struiken lieten snoeien bij de sluis
de sluis waar de bootsman ligt te wachten in zijn korjaal. hij droomt van zeilen
en van het moment waarop we zouden kunnen gaan voelen wat de filosofen dachten
heel gelaten over de gelaten branding tussen schaars begroeide rotsen
en zich als zeeleeuwen daar in de zon uitrekkende naakten.

De opgeschorte begrenzing van de persoon. Alles is gelijkwaardig, Dat wordt al zichtbaar in het ontbreken van hoofdletters. Hier zijn geen hoofdzaken, alles maakt deel uit van een en hetzelfde proces, van een en hetzelfde bestaan. Ook wanneer het ene het andere bedreigt. De begrenzing ontbreekt niet; de dingen worden bij naam genoemd, de zinnen hebben begin en een slot. Elders in het gedicht wordt verwezen naar een noodwendig einde:

[…]
we zagen het. dat er voeten rennend in de vroegte warme handen werden
en met nog een nacht te gaan ons zacht wilden tegenhouden zo een tijdje tijdloos
achter lieten in een straat waarin we allemaal van geest en vlees en bloed bevrijd
voor wat er komen gaat beschermd als dat wel alsnog even kan.
Voorlopig kunnen wij ons aan het leven overgeven. We kunnen nog betoverd mijmeren. Een paradijselijke wereld, zolang we kunnen vergeten dat er in ons paradijs een slang rondkruipt die ons graag helpen zal het paradijs te verliezen.

Ook in het titelgedicht wordt het ik van de dichter geïdentificeerd met zijn omgeving, maar de toon is anders. Na het eerste fragment waarin hij nog schrijft:

[…]
ik ben de vliegen hier in het huis
en met de spiegels ben ik één.
al ontbonden een voetstap het
knielen de kus op de grond
dierbaar ten teken van wat
groen groen doet lijken.

volgt in de volgende strofe:

[…]
de net
geleende soldaten niet uit het oog
verliezen. er zijn stranden
die vloeren vormen in de naam
van bestaan en vegetatie.

Blijkbaar wordt zijn bestaan zo bedreigd, dat hij moet worden beschermd door soldaten die hij waarschijnlijk toch niet geheel vertrouwen kan.

Daarna volgt het gedeelte waaraan de bundel zijn naam dankt:

       we zullen allemaal een voor een
op onze eigen dag in zwarte
warme duisternis verdwijnen.
je mag dan wel tien instrumenten
om je nek bespelen – when
the saints go marching in. de heilige
theresia van lisieux stelt me
voor raadselen. ergens in
de filippijnen vroeg iemand
waarom het rozen regent
als bruine tantes ritmisch dansend
zonder string en in hun handen klappend op
het altaar goddelijk genot in
goddelijk genot veranderen. rozen die zwaar
geuren en zwoel de naaktheid
van hun dans bloter maken
dan bloot
dalen op ons neer.

De gedichten van Antoine de Kom blijken te spelen tussen de paradijselijke toestand waarin de dichter kan verblijven en oplossen tezelfdertijd, en de harde werkelijkheid waarin zijn individualiteit beschermd moet worden. Ze zijn van een sterke gedrevenheid, ritmisch, zonder string. Het is zijn behoefte aan harmonie, aan vrede, die hem de tegenstellingen in de gedichten naast elkaar doet plaatsen; waar tegenstellingen niet strijdig zijn, waar alles gelijke rechten heeft op bestaan, waar de mens de medemens een broeder/zuster kan zijn.
Dat hij staat voor geweldloosheid blijkt uit het volgende fragment uit ‘haar vele’:

[…]
peinzend loop ik met mijn lege pistool
over het natgeregende strand en zag hoe ze uit
mijn verlangen oprees.

je schildert zonder verf.
je draagt kleren zonder textiel
sieraden zijn je vreemd op sieraden na
en de kus die je me toewerpt.

agenda’s werden nooit vergeten brieven
tasten naar vrienden uit café of catalogus.
bel hen stuur me hun paleis vol kussen vertel
me dat je leeft in goud en oude gedachten
die jonger zijn dan ik.

sieraden zijn je vreemd op de sieraden na die je mij toewerpt. En die kus –

Dit gedicht zindert van een gevoel van dankbaarheid waarin heden en verleden samenvallen; de tastbare werkelijkheid, en het verleden waarin ze is opgelost. Opnieuw dat gevoel van mystiek waarin de dichter zijn begrenzing, ook in de tijd, te buiten gaat.

Hij doet dit virtuoos. In welke vorm dan ook.
Ritmisch zonder string is een dikke, volle, zeer gevarieerde en ook nog eens geïllustreerde bundel, en zo rijk, dat ik De Kom hoe dan ook tekort doe in mijn bespreking ervan.

Tot slot, als uitsmijter, een fragment van ‘graszee niet aanraken’:

in hun graszee spattend namen twee lokale gaaien een derde op zijn rug liggend te pakken pikten krijsend op hem in. In honolulu is het gelukkig geen oorlog meer. de bergen achter de parelhaven zijn in wolken gehuld en het gezonken oorlogsschip wordt nu bewaakt. in het voorbijgaan lichtte een gehelmde arts mij in over bepoederde drugsproblemen. op dat moment begonnen de zonnebrillen aan de bar met elkaar te bellen. zij werden een aanrollend plaatje liegende palmen aan deze grote oceaan waar wolken clowns of kabouters zijn in al hun vormen losgeslagen.
[…]

Het is onze verbeelding die clowns en kabouters ziet in de wolken die de bergen omhullen.
Alles is in een proces van continue verandering. Het tempo waarin de veranderingen plaats vinden verschilt, de manier waarop – maar dat is de reden dat alles wat wij waarnemen geen werkelijkheid lijkt te hebben, terwijl het er tegelijkertijd is.

Poëzie conserveert. Poëzie leidt altijd tot herinnering. Antoine de Kom herinnert ons aan ons verlangen naar vrede, naar harmonie. Doorlopend is hij in zijn gedichten bezig grenzen op te heffen om die staat van eenheid te tonen waar elk mens naar verlangt. En waar alleen liefde ons kan brengen.

***
Antoine de Kom (Den Haag, 1956) is van gemengd Nederlands-Surinaamse afkomst en een kleinzoon van Anton de Kom, de bekende Surinaamse nationalist en verzetsstrijder. De Kom bracht een groot deel van zijn jeugd in Suriname door. Van dat verblijf getuigen de bundels Tropen (1991) en De kilte in Brasilia (1995). Daarna verschenen nog Zebrahoeven (2001), Chocoladetranen (2004) en De lieve geur van zijn of haar (2008). In 2012 verscheen het non-fictieboek Het misdadige brein. In het dagelijks leven is hij forensisch psychiater.

 

Geplaatst in Recensies.