Gedichten

17. “Sweet I went out…”

                                                                    Ah God it is a dreary thing
                                                                    To sit at home with unkissed lips. 
                                                                                                       Mrs. Browning

Sweet I went out in the night,
     Though the wind sang drearily,
And I waited beneath the lamp’s light,
     For I knew I was fair to see.

And there came one with eyes of fire,
     And a throat as a singing dove,
And he looked on me with desire,
     And I knew that his name was Love.

See what I found in the street
     A man child lusty and fair
With little white limbs, little feet,
     And glory of golden hair.

Red and white as a mountain rose, 
     Little brown eyes as bright as wine,
Little white fingers, and little white toes,
     O he is lovely, this boy of mine.

What do you say he’s the child of sin,
     That God looks on him with angry eyes,
And never will let him enter in
     To the lilies and flowers and rivers of Paradise.

*

17. “Fraai ging ik uit…”

                                                                         O God het is een droeve zaak
                                                                         Om thuis te zitten, lippen ongekust. 
                                                                                                              Mrs. Browning

Fraai ging ik uit in de nacht,
     Al treurde de wind zijn lied,
En heb onder lamplicht gewacht,
     Want ik wist, onknap was ik niet.

Er kwam iemand met vurig oog,
     En een hals als een duif die koert;
Toen lust, mij ziend, hem bevloog, 
     Wist ik dat tot Liefde dit voert.

Zie wat ik zo opdeed op straat:
     Een knaapje mollig en mooi,
Witvoetig en klein van maat,
     Met een gouden krullentooi.

Rood en wit als een egelantier,
     Oogjes bruin en helder als wijn,
Handjes, teentjes wit, welk plezier
     Is mijn lieflijke knulletje klein.

Wat zeg je nu? Een zondekind
     Aan het boze oog van God ten prijs,
Die hem nimmer toelaatbaar vindt
     Tot de lelies, rivieren en bloemen van ’t Paradijs?

23. Louis Napoleon

Eagle of Austerlitz! where were thy wings
     When far away upon a barbarous strand,
     In fight unequal, by an obscure hand,
Fell the last scion of thy brood of Kings!

Poor boy! thou wilt not flaunt thy cloak of red,
     Nor ride in state through Paris in the van
Of thy returning legions, but instead
     Thy mother France, free and republican,

Shall on thy dead and crownless forehead place
     The better laurels of a soldier’s crown,
     That not dishonoured should thy soul go down
To tell the mighty Sire of thy race

That France hath kissed the mouth of Liberty, 
     And found it sweeter than his honeyed bees,
And that the giant wave Democracy
     Breaks on the shores where Kings lay couched at ease.

*

23. Lodewijk Napoleon

Arend van Austerlitz! Waar was uw kracht
     Toen omkwam, ver weg op ’t barbaarse strand
     Door ongelijke strijd en duistere hand,
Uw laatste telg uit ’t Keizerlijk geslacht!

Arm joch! Jij zal niet pronken in het rood,
     Noch rijden in Parijs in statie zij aan zij
Met ’t teruggekeerd legioen, maar ongenood
     Zal moeder Frankrijk, republieks en vrij,

Jouw dode kroonloos hoofd versieren met 
     De betere krans van een soldatenkroon;
     Zo wordt je ziel geëerd en aangezet
Te melden aan jouw Voorzaat op de troon

Dat Frankrijk, op de Vrijheid zeer belust,
     Haar zoeter dan Zijn honingbijen vond,
En dat een golf van Volksmacht op de kust
     Zich werpt, waar ’n lakse koningstroon eens stond.

46. La Bella Donna del Mia Mente

My limbs are wasted with a flame,
     My feet are sore with travelling,
For calling on my Lady’s name
     My lips have now forgot to sing.

O linnet in the wild-rose brake
     Strain for my Love thy melody,
O Lark sing louder for love’s sake
     My gentle Lady passeth by.

She is too fair for any man
     To see or hold his heart’s delight,
Fairer than Queen or courtezan
     Or moon-lit water in the night.

Her hair is bound with myrtle leaves, 
     (Green leaves upon her golden hair!)
Green grasses through the yellow sheaves
     Of autumn corn are not more fair.

Her little lips, more made to kiss 
     Than to cry bitterly for pain,
Are tremulous as brook-water is,
     Or roses after evening rain.

Her neck is like white melilote
      Flushing for pleasure of the sun,
The throbbing of the linnet’s throat
      Is not so sweet to look upon.

As a pomegranate, cut in twain, 
     White-seeded, is her crimson mouth,
Her cheeks are as the fading stain
     Where the peach reddens to the south.

*

46. De schone dame in mijn herinnering

Mijn lichaam is door vuur verteerd, 
     Mijn voet door ’t reizen onbekwaam,
Het zingen heeft mijn mond verleerd
     Door ’t roepen van haar lieve naam.

O Vlasvink in het rozenperk
     Bezing haar, als je kunt zo blij,
Fluit Leeuwerik, als je kunt zo sterk,
     Want mijn geliefde komt voorbij.

Zij is te mooi voor ’n manspersoon
     Om met zijn hart bij haar te zijn,
Geen Koningin is er zo schoon,
     Geen waterglans bij maneschijn.

Zacht mirtblad houdt haar haar bijeen, 
     (Groen glansblad in haar gouden haar!)
Groen gras door gele schoven heen
     Tooit niet zo mooi de korenaar.

Niet om te huilen van de pijn
     Maar als een rimpelbeek zo zacht
En kus-rijp moet haar lip wel zijn,
     Of als een roos bedauwd bij nacht.

Als witte klaver is haar hals,
     Kleurend uit blijdschap voor de zon,
En om te zien zo lieflijk, als
     Een vinkjeskeel maar kloppen kon.

Op een granaatappel in twee,
     Wit pittend, lijkt haar rode mond,
Haar wang verkleurt lichtblozend mee
     Met perziken in zuidergrond.

66. At Verona (sonnet)

How steep the stairs within Kings’ houses are
     For exile-wearied feet as mine to tread,
     And O how salt and bitter is the bread
Which falls from this Hound’s table,- better far

That I had died in the red ways of war,
     Or that the gate of Florence bare my head,
     Than to live thus, by all things comraded
Which seek the essence of my soul to mar.

"Curse God and die: what better hope than this?
He hath forgotten thee in all the bliss
     Of his gold city, and eternal day”-

        Nay peace: behind my prison’s blinded bars
     I do possess what none can take away,
        My love, and all the glory of the stars.

*

66. In Verona (sonnet)

Hoe steil zijn trappen binnen een paleis
     Voor deze banneling, vermoeid van voet,
     En O, hoe zout het brood, of bitterzoet,
Gevallen van dit Hondenbord – de prijs

Van rode slagvelddood was veel meer waard,
     Of van mijn hoofd hoog aan Florence’s poort,
     Dan dat men bij ’t gezelschap hoort
Dat afbreuk doet aan mijn zielseigen aard.

“Zeg God vaarwel en sterf: meer hoop is ijl.
Vergeten heeft hij jou bij alle heil
     Van heel zijn gouden stad, en eeuwige dag” –

        Nee stil: achter de tralies van mijn cel
     Heb ik wat niemand te verslaan vermag,
        Mijn liefde, en het roemrijk sterrenstel.

Geplaatst in Gedichten en getagd met .