Laat de lezer maar stijgen

Onlangs verscheen bij Uitgeverij Liverse de tweetalige bundel Vallend Bloemblad, met de verzamelde korte gedichten van Oscar Wilde. Sander de Vaan spr@k met vertaler en samensteller Cornelis W. Schoneveld.

Oscar WildeU hebt een bundel met de korte gedichten van Oscar Wilde verzorgd. Wat spreekt u vooral aan in de díchter Wilde?
Mijn keuze om de gedichten van Oscar Wilde te vertalen heeft een aantal achtergronden, waaronder inderdaad het feit de ze mij in die zin aanspreken, dat ze het overheersende en gangbare beeld van de kunstenaar op een interessante manier aanvullen, nuanceren, en verrijken, vooral daar zij geschreven zijn in de periode voordat hij zich aan het toneel ging wijden, en toen nog geïnteresseerd was in het andere geslacht, en voordat zich heeft laten verleiden door een jongere man, mede geleid door zijn grote kennis van en bewondering voor de oude Griekse gewoonten onder mannen in dit opzicht. In mijn inleiding heb ik het ook over zijn manier van dichten, die des te interessanter is door de kundigheid in poëtische technieken, die er uit spreekt. De uitdaging voor mij was om die technieken niet te veronachtzamen, zoals een aantal vertalers thans helaas blijkt te doen. Mij schiet te binnen een voorbeeld van een paar weken terug. Wouter Bos sprak in Zomergasten over het gedicht “The Road Not Taken “ van Robert Frost. In de VPRO Gids ontstond daarna een boeiende discussie, waarbij de redactie een Nederlandse vertaling van het gedicht afdrukte. Niemand had het echter over de vorm en de vertalers leken niet in de gaten gehad te hebben dat Frost in metrische regels schreef (4 accenten per regel, in een afwisseling tussen jamben en anapesten): gevolg de vertaling brabbelde maar wat voort, de regels eindeloos verlengend. In het algemeen stelt het mij dan ook teleur dat naast vertalers ook zo veel dichters nu de wil (of de kennis en vaardigheid???) missen om poëzie de extra zeggingskracht te geven die van zulke vormkenmerken uitgaat.
Ook sommige critici zijn hier soms de weg kwijt: zo las ik in een internetbespreking van het (pseudo) sonnet “Paradise Regained” van Hendrik Marsman, dat de jambische versmaat het gedicht bij elkaar houdt, maar ik zie maar 3 compleet jambische regels: 2, 3 en 14.

Kan die aandacht voor vorm in de dichtkunst soms niet leiden tot een wat kunstmatige ‘dwangbuis’? Iemand als Wislawa Szymborska schreef juist zeer sprankelende gedichten omdat ze níet voor een strakke vorm koos..
Zeker in het verleden waren het gebruik en de vaardigheid in de toepassing van terugkerende patronen onlosmakelijk verbonden met de kunst van het dichten. De gestileerde vorm en de inhoud dragen dan samen het gedicht. Bij het vertalen alleen letten op de betekenis doet dus geen recht aan het origineel.
Vorm beïnvloedt bovendien de betekenis: om terug te komen op Frost’s “The Road not Taken”, bij zijn tetrameters (heeft de moderne lezer dat nog in de gaten ??) bestaat elke regel uit een combinatie van 3 of 2 jamben en 1 dan wel 2 anapesten. Als je dan de laatste regel scandeert, dan krijg je /And thát/ has máde/ all the díff/ er énce ( Jambe, jambe, anapest, jambe) Voor de interpretatie is het dan relevant dat “all” dus opzettelijk geen nadruk krijgt en “that” wel.Vergelijk bij mijn Wilde vertaling no. 28 bijvoorbeeld met 42. De discipline in het eerste gedicht zit in de korte regels in combinatie met het rijmschema. De helft van het rijmschema laten vallen verzwakt dus dat element. De cadans van de variërende lange regels in het andere gedicht ondersteunt juist het betoog. Bij het sonnet is het in hoger mate de discipline in de vorm die er het wezen van is. De dichter die deze vorm kiest (zoals Wilde ook vaak doet) onderwerpt zich er vrijwillig aan en wil zich in die beperking een meester tonen. Zo’n discipline (in dubbele betekenis) verdient het dan ook in een vertaling gehonoreerd te worden.

Moest u concessies doen om die vormkenmerken te respecteren?
Natuurlijk doe je die, maar die kunnen in elk onderdeel van het vertaalproces voorkomen: soms betreft het het offer van een “woord” waarvoor je geen plaats kan vinden, soms een retorische herhaling van woorden (Bij Frost b.v.: regels 2, 3,en 4 beginnen alle drie met “And”, dat beperkt de zinsconstructie mogelijkheden. In de laatste regels de herhaling “and I –/ I …” Het eerste “I” staat aan het eind van een regel, vind je de herhaling de moeite van handhaven waard dan moet je een rijmwoord bij het woord “ik” vinden. Wat rijm betreft heeft men het dan al gauw over “rijmdwang”, waarbij men soms vergeet dat de dichter zelf daar ook mee te maken kan hebben. Bij het recenseren van een vertaling zou de bespreker daar voor het evenwicht best ook eens naar kunnen kijken. Zelf denk ik eigenlijk helemaal niet in termen van concessies maar in termen van het creatief zoeken naar bevredigende oplossingen. Het zogenaamde toegankelijk maken van een dichter voor de moderne lezer door toon of woordkeus af te stemmen op dagelijks taalgebruik zie ik niet als mijn taak. Als de lezer een woord niet kent, dan kan hij het immers opzoeken, en zo leert hij dan misschien ook nog wat. De dichter hoeft niet af te dalen, laat de lezer maar stijgen.

Is er een gedicht van Wilde waarmee u hem aan de lezers van Meander zou willen voorstellen?
Wat een citeerbaar gedicht betreft: een mooi voorbeeld van subtiel verschuivende nuances en emoties in een maximum aan economie in regellengte, gepaard gaand aan een strak rijmschema is “Requiescat”, bij mij no 28, dat ik al eens eerder op internet plaatste: http://rond1900.nl/?p=14777 en dat als u doorbladert ook op http://fleursdumal.nl/mag/category/poetry-library/cornelis-w-schoneveld-poetry-in-translation/wilde te vinden is. Maar als dit overkomt als oud nieuws dan is een van de niet minder dan 37 sonnetten ook een suggestie: ik denk aan no. 62 “Portia” (aan Ellen Terry). Over het laatste woord van regel 10 ben ik zelf nogal tevreden.

62. Portia (sonnet)
                                                                       Aan Ellen Terry, I

’t Verbaast mij niet hoe koen Bassanio was
     Alles te wagen met de loden kist,
     Hoe Arragon zijn trots had uitgewist,
Hoe ’t vurig Moorse hart verging tot as,

Want in dat prachtkleed van gedreven goud,
     Nog goudgekleurder dan de gouden zon,
     Was ’t fraaist dat Veronese schilderen kon
Niet half zo schoon als Jij door mij aanschouwd.

Nog schoner, jij, met wijsheid in ’t blazoen,
     Toen jij, door ’n sobere pleiter’s pij vermand,
Venetië en Antonio recht zou doen,

Zijn hart niet gunnend aan die valse Jood –
     O Portia! Neem mijn hart, jouw claim is groot:
Ik heb geen moeite met het Onderpand.

Waarom bent u juist hierover zo tevreden?
Bij ‘vermand’ vond ik het leuk dat de combinatie met ‘onderpand’ een toepasselijk rijmpaar opleverde, terwijl de letterlijke en figuurlijke betekenis van het woord ‘vermand’ precies Portia’s situatie weergeeft. Kennis van het toneelstuk wordt daarbij verondersteld.

***
Oscar Wilde – Vallend bloemblad. De verzamelde korte gedichten. Vertaling Cornelis W. Schoneveld. Liverse 2013; 264 blz.; € 17,95
ISBN 9789076982977
Lees hier de recensie.

Geplaatst in Interviews en getagd met .