Johanna Geels – Wildberichten

Ik ben hier niet om wanhopig te zijn

door Joop Leibbrand

Met toenemend plezier lezend in Wildberichten van Johanna Geels zocht ik een woord om de gedichten mee te typeren. Op blz. 26 vond ik ‘bravoure’, het gedicht ‘Polderhazen’ opent ermee. Gaandeweg noteerde ik meer steekwoorden: onderkoeld, afwerend, brutaal, illusieloos, maar ook betrokken en persoonlijk; realistisch, maar door allerlei onverwachte vertekeningen ook vaak bizar. Het werk lijkt niet op andere poëzie die ik ken. Geels heeft een originele stem.

Tegen het einde van de 48 gedichten tellende bundel staat een als zelfportret te lezen gedicht waarin die kwalificaties zo ongeveer samenkomen:

Vang me dan

Ik kom hier niet om mooi te zijn
al draag ik de ketting van mijn oma
bloedkoraal en Joegaslavisch filigrein
loodzwaar om mijn nek.

[…]

Ik ben hier niet om naam te dragen, nu bijvoorbeeld
ben ik dichter met een haak door mijn lip
vannacht was ik pijpkoningin, vanavond
weer moeder met kapucijners in een pan.
(vang me dan)

Mijn haar groeit wild en groter, mijn lippen
mijn bloem roder, strakgetrokken huid
waar de haak door mijn wang prikt en het
laatste staartje nachtelijk zaad als over een bowlingbaan
langs mijn huig de diepe donkerte in glijdt als ik slik.
(ik wil ‘m vangen, kom terug mijn lief, kom terug)

Ik ben hier niet om wanhopig te zijn
sterk moet ik zijn, als visvrouwen in het zicht
van de haven, uitgebeten, tanig, leverrauw
ik draag godverdomme niet voor niks drie kinderen
op mijn nek, boet palingnetten met mijn tong
tussen de tanden.

Vanuit het open raam komt alweer nieuwe lente aan
met nog meer bloemen, kinderen, palingen en filigrein.
(ergens buiten loop jij zoekend rond)

In Wildberichten passeert er geen gedicht zonder dat er op de een of andere manier een verwijzing naar de natuur in voorkomt. Naar de seizoenen, naar gras, kruid, weilanden, hei, bos, mos, sneeuw, augustuszon. En er is vooral heel veel fauna. Vanaf het ‘het wild’ uit het openingsgedicht verschijnt een bonte stoet aan dieren: vossen, vogels, vissen, herten, kevers, kikkers, kuikens, hazen, konijnen, luizen, honden, padden, kraaien, vlinders, krekels, knaagdieren, ongedierte. En specifieker: Rottweiler, Duitse staande (niet ‘staander’), zwaan, reiger, winterkoninkje, gier, Vlaamse gaai, eend, dodo en daarmee is de lijst nog lang niet compleet. Alsof de kaartenbak van Midas Dekkers is leeggekieperd.
Die overvloed aan natuur, met name aan dierlijk leven, geeft de bundel nochtans niet eens een zweem van natuurlyriek. Integendeel zelfs. Van zoetsappige harmonie is nergens sprake, het is weerbarstigheid troef.
Al dat ‘wild’, gedomesticeerd of niet, en steeds min of meer terloops vermeld, lijkt me een metafoor voor de plaats van de ik in de buitenwereld, waarin je jager en prooi bent, vangt door te worden gevangen, een wereld die even vanzelfsprekend als onbegrijpelijk is.
‘Verlaat nooit het pad.// Hier rust het wild.’ luidt de als motto te lezen waarschuwing aan het begin en in het vervolg doet Geels niet anders dan rusteloos van gebaande paden afwijken om zo haar eigen revier af te bakenen:

Beschermd gebied

Gezichten en gebaren
kleven aan mijn jas,
mijn haren.

Onder het onverharde pad
knaagt kabouter Nr.068 zachtjes
aan de randen van mijn geest.

In huis alles rustig.

Buiten vreten de vossen
elkaar onafgebroken op.

In Geels’ wereld is het vaak niet pluis. Hoe kun je op een plek als deze iets anders dan aangeschoten wild zijn?

Suburbia

Onder het dak van nummer zes ligt al dagen
een geplukte eend op een verlaten kookeiland.

In het huis aan de overkant gluurt ‘s nachts
een meisje door het raam.

Uit het hoofd van de man op de hoek groeit een
huisconcert. Op één sterft een hond.

Buitenwijken liegen niet.

[…]

Er is veel meer wat in Geels bundel opvalt. Haar soms bijna baldadige taalgebruik bijvoorbeeld. Het zit heel sterk in gedichten als ‘Berichten uit de kosmos’ en ‘Geschichten aus der Kogel- Mogel- Kinder-Kloep, maar ook in een gedicht als ‘Murw’, waarin ze uitdagend schrijft ‘Zal ik eens een mooi meisje maken?/ Zo’n eentje van antroposofisch vilt?/ Met een ongebleekte Barbieverzameling?/ En tuitlipjes om te zoenen?// Daar loopt er eentje, kom dan, meiiiiiiisje…’

Voorts is er beslist een filosofische inslag. Zo stelt ‘Vluchtinformatie’: ‘Hier volgt een bericht voor mensen/ die het ook niet weten/ ‘s avonds hun gezicht afleggen in de spiegel/ boven de wc, / het doorspoelen als een goudvis:// Alles om ons heen is bedacht’.
In ‘Plaag’ weet zij: ‘Sommige dingen komen nooit goed. / Hypochondrische huisdieren, manisch-/ depressieve klaar-over-ouders.’

Een van de mooiste gedichten, zeker het menselijkste, en eigenlijk a-typisch voor de bundel, is ‘Eindtijd’.

Eindtijd

We wisten dat hij zou komen, terwijl we de tijd doodden
ver van huis die dag.

Eerst was er een grijper, zo een van de kermis die ons bij
het hoofd greep en honderd kilometer terug een ziekenhuis
in smeet.

Daar stond alles klaar, een bed, een man, zijn kinderen
en een koffiekar vol onuitgesproken spijt.

Hij kwam nog best snel. Ineens voelden we hoe de lucht in
de kamer inhield voordat hij als een sluier over het gezicht
van de man heen trok die als een vogeltje in dat veel te grote
bed lag.

Een bed dat vroeger te klein zou zijn geweest voor al zijn venijn,
maar het nu met kussen en al opslokte, tot het eind klauwde hij
zich aan de lakens vast.

Eerst ging zijn kin dood, toen zijn mond die, nu hij eindelijk niets
meer hoefde, uitgeblust openhing, en op het laatst de beademings-
apparatuur naast het bed.

Toen kwam er een mevrouw zeggen dat de dood was ingetreden.
Maar dat wisten wij al een leven lang.

Iedere regel is juist in deze afrekening met een belast verleden. Zelden werd een man zo dodelijk trefzeker zijn vaderschap ontzegd.
Een formidabele bundel, zonder ook maar één zwak gedicht.

***
Johanna Geels (1968) schrijft gedichten, proza en columns voor onder meer HP/De Tijd. Ze debuteerde in 2008 met Tuig, dat werd genomineerd voor de C. Buddingh’-prijs. In 2010 verscheen Detox.

Geplaatst in Recensies.