Gedichten

Papegaaien en andere vogels

1

Stellenbosch,
ik heb de indruk
dat ik in een vliegtuig zit.
Of in een andere werkelijkheid.
Of in een werkelijkheid die onwerkelijk is,
of omgekeerd, hoewel ik niet weet
of er verschil is tussen werkelijkheid
en onwerkelijkheid, of tussen werkelijke onwerkelijkheid
en onwerkelijke onwerkelijkheid.

Het kan me niet schelen.
Hennie zegt me woorden
die ooit Nederlandse woorden waren.
De meeste heb ik niet eerder gehoord.
Hij reist met toeristen door Zuid-Afrika,
vertelt geschiedenis, zeer gedetailleerd.
Men noemt hem Hennie Wikipedia.

Ik heb thuis over Stellenbosch gelezen,
de namen van de bergen uit mijn hoofd geleerd.
Ik heb de klanken van de vogels nagedaan
en hun veren gekleurd.

2

Stellenbosch, ik was gisteren in Bellville,
bezocht de universiteit, keek naar gezichten, houdingen,
dronk een cola, sprak met leraren, grinnikte om zinnen,
ik voelde me op mijn gemak.

We reden terug en dronken een paar glazen bier tussen de druiven.
Ik probeerde me voor te stellen dat ik er woonde,
maar het lukte niet.

Mijn reisgenoot vertelde
dat hij het leuk vond om Nederland te bezoeken,
dat hij Nederland niet idealiseerde,
wel bewonderde.

Hij vertelde ook over besluitvorming,
over de toekomst, over vandaag
en over armoede.

De zon begon donker te worden.
Om ons heen zaten mensen te eten,
ze hadden dezelfde huidskleur als wij.
Ik ga overmorgen naar Delft, zei ik.

3

Stellenbosch, ik liep over straat om iemand iets te vragen.
Ik zag vrouwen in auto’s, mannen op de fiets.
Ik zag ook mannen in auto’s, samen met vrouwen.
Ik zag een vrouw op een fiets.

Maar ze verdween tussen twee huizen
voordat ik haar aandacht kon trekken.
Gelukkig kwam ze even later terug,
met een tas op haar rug.

Ze stopte toen ik mijn hand opstak.
Ik vroeg: wat is je favoriete hoek in Stellenbosch?
Die heb ik niet, zei ze, ik heb een favoriete minnaar,
een favoriete temperatuur en een favoriet tijdstip.

Ik vroeg: die minnaar speelt rugby?
Weet je dat ik rugby een schitterende sport vind?
Nee, zei ze, hij bokst, volgens mij heeft hij talent,
ik ga soms mee naar de training.

Ik zei: een van mijn beste vrienden bokst,
maar ik heb hem nog nooit bezig gezien.
Een andere vriend bokste vroeger ook,
toen de vogeltjes nog achteruit vlogen.

Ik ken verder nog een man die eerst heel tenger was,
door fanatiek turnen kreeg hij een ander lichaam.
Hij woonde bij me om de hoek, nu niet meer,
dat gebeurt met meerdere mensen.

Alle gekheid op een stokje, zei ze,
wat doe je eigenlijk in Stellenbosch?
Je komt toch uit Nederland,
ben je hier om familie te zoeken?

Kun je me trouwens goed verstaan?
Ik zei: ja, ik kan je behoorlijk volgen,
soms ga je iets te snel, dan raak ik je kwijt,
andersom is het vermoedelijk precies zo.

Als mensen Afrikaans met elkaar spreken,
is het of ik naar een Scandinavische taal luister.
Ik kom uit Delft, misschien ken je de naam.
Het ligt tussen Den Haag en Rotterdam.

Een vriend van me woont in Kaapstad,
Alfred, hij was uitsmijter bij een discotheek,
tegenwoordig bouwt hij huizen.
Getrouwd met een geweldige vrouw.

Ik heb hem daarstraks gezien,
we aten in de botanische tuin.
Mooie plek, zei ze, mijn oma kwam er vaak.
Ik zei: ben je ooit in Nederland geweest?

Nee, zei ze, mijn vader wel, voor zijn werk,
ik zou liever naar Vietnam gaan.
Was jij al eerder in Zuid-Afrika?
Ik zei: dit is de eerste keer.

Ik ben hier om te kijken en te luisteren,
om rond te lopen en uit te rusten,
om mensen tegen te komen
en om mezelf te vergeten.

Ik wilde eigenlijk zeggen dat ik op de vlucht was
voor ziekte en geldgebrek en eenzaamheid,
maar de felle zon en het felle groen
lieten niet toe dat ik dat zei.

Je moet ook wijn drinken, zei ze, en adem halen.
Bevalt Stellenbosch een beetje?
Ik zei: het is opvallend rustig,
ik slaap elke nacht als een roos.

Morgen ga ik naar Delft, bij Kaapstad, ken je dat?
Ik ben er nooit geweest, zei ze, maar ik ken de bordjes.
Nu ga ik naar de sportschool, daarna moet ik leren.
Ik zei: okay, dan loop ik een route langs de hoeken.

Geplaatst in Gedichten en getagd met .