Ik conformeer me niet. Waar is dat voor nodig?

Op poëziefestival StAnza in Schotland trad ook een Nederlandse dichter op. Arjen Duinker, die al vanaf de jaren negentig met zijn poëzie naar het buitenland trekt. Hij reist met gemak overal naartoe en beheerst het Engels, Duits, Spaans, Portugees, Frans en Italiaans. Meander spreekt taalvirtuoos Duinker net voordat hij terugkeert naar Nederland.

‘Ik blijf nooit lang na een optreden,’ legt Arjen uit. Hij schudt zijn lange haar uit zijn gezicht. ‘Die rush of blood daar houd ik van, dat snelle.’ Enthousiast: ‘Het heeft iets merkwaardigs! ’s Ochtends drink je koffie in je woning in Delft en ’s middags sta je in een compleet andere wereld, ergens waar je normaliter nooit zou komen!’ Hij kijkt om zich heen, schudt handen van mensen die hem bedanken voor zijn optreden en glimlacht bescheiden. ‘Je stapt hier vanuit het niets naar binnen. Alles is nieuw maar op een bepaalde manier ook alledaags.’

Arjen DuinkerAlles is nieuw maar op een bepaalde manier ook alledaags… Zoals in het gedicht over Stellenbosch dat je voordroeg?
‘Precies zo! Ik had net een pokkeneind gevlogen en stapte uit bij het hotel waar ik zou slapen. Nou, dat was een totaal idiote sensatie: het voelde alsof ik een Baarn was! Dat gevoel heeft me de hele week niet los gelaten. Het stond zo in contrast met de townships, waar het totaal anders was. Het was daar zo een kaalslag, er was zoveel armoe. Ik begon te trillen toen ik het zag. De feitelijkheid slaat je om de oren. Die mensen wónen daar. Ik heb hun gezichten gezien, hun verhalen gehoord. Ik krijg nog steeds kippenvel als ik eraan denk. Als ik dit gedicht voordraag, heb ik dat ook. ’

Je las het gedicht voor in het Nederlands. Waarom deed je dat?
‘Ik pas me aan aan wat de festivalorganisatie wil, maar als ik zelf mag kiezen, lees ik altijd wel iets voor in de originele taal. Het publiek waardeert dat meestal wel. Zelf vind ik dat ook bijzonder. In Coïmbra woonde ik eens een festival bij waar dichters alleen voordragen in de originele taal, er zijn geen vertalingen. Dit dwingt je om naar de klank en de muziek van de taal te luisteren. Ik wil mijn publiek ook het geluid van de Nederlandse taal laten horen. Het is een mooie taal, waar ik trots op ben. Het woord ‘mooi’ alleen al, dat is een goed woord, vind je niet?’ Hij spreekt het woord een aantal keren uit. ‘Een zachte, fijne klank. Een beter woord met die betekenis hadden we niet kunnen kiezen.’

Ga je straks als je thuis bent schrijven?
‘Dat verwacht ik wel. Ik schrijf enkel wanneer ik me goed voel en deze optredens gaven me energie. Daarnaast ben ik erg aan mijn eigen woonplek gehecht, dat zou je misschien niet verwachten van een reislustig type. Thuis ben ik het productiefst. Ik schrijf veel, gebruik lang niet alles, maar voel zelf aan wanneer het af is. Soms neem ik me voor om veertig regels te schrijven, doe ik dat en weet ik ineens dat het gedicht ook al af is.’

Er is geen meelezer die je van kritische aantekeningen of aanwijzingen voorziet? Of een gesprekspartner die mee brainstormt?
‘Nee. Nou ja, in een heel laat stadium laat ik het wel eens zien aan mijn goede vriend Kees ’t Hart. Hij mag het tot op het bot afkraken – dat mag ik ook bij zijn werk – en dan ga ik handenwrijvend verder om hem wel eens even iets te laten zien. Maar praten over mijn poëzie, dat doe ik liever niet. Ik produceer, maar benoem het nooit. Ik stond er ook van te kijken toen iemand eens een scriptie wijdde aan mijn poëzie. De bevindingen waren heel goed en waarschijnlijk, hij legde de vinger op iets wat in mijn gedichten zat, maar wat ik zelf nooit een naam had gegeven.’

Toch sprak je over jouw poëzie en over poëzie in het algemeen hier op StAnza. Op prikkelende wijze. Tegenover een zaal vol Brits publiek zei jij: ‘Ik heb met veel talen iets, maar de poëzie uit Engeland kan me niet raken.’ Er werd gegrinnikt om je lef. Hoe kan het dat je met een dergelijk antwoord wegkomt?
‘Omdat ik meen wat ik zeg. Ik conformeer me niet. Waar is dat voor nodig? Ik houd van openheid en eerlijkheid. Het is ook niet vervelend bedoeld, die opmerking dat ik niets met die poëzie heb.
Ik houd van de mensen in Engeland, van hun taal en accent, van reizen door hun land, maar de poëzie weet me niet te raken.Schotse weer wel! En poëzie uit Ierland en Wales vind ik ook interessant. Ik wil er meer van weten, van en over lezen. Het lezen van gedichten, het lezen en maken van vertalingen, dat is toch zo geweldig. De woorden op je tong proeven, grammatica’s proberen te begrijpen, nieuwe woorden onthouden en uitspreken. Pret is het! En dat heb ik in die panels ook willen benadrukken. Het is toch fantastisch dat je een Tsjechisch gedicht in het Engels kunt lezen, omdat iemand met kennis van taal en liefde voor taal zich op de vertaling stortte? Als het vertaaldomein gesteund moet worden, dan niet door voorschriften, maar door de zin in andere talen te vergroten. In Nederland kun je steeds minder kleine talen studeren, dat vind ik jammer. Ik ben een blinde optimist, zou dol zijn op een vrijgevige regering, die dit soort studies mogelijk zou maken. Waarom niet op de universiteiten het Sanskriet bestuderen of het IJslands?’

Hoe komt het dat jijzelf zo veel talen beheerst?
‘Die talen heb ik geleerd vanuit nieuwsgierigheid. Door in het land zelf te zijn, door te luisteren. Ik heb ooit overwogen om tolk Frans-Russisch te worden. Ik wilde naar de Sorbonne-universiteit in Parijs en erna naar de vertaalacademie in Genève. Maar ik was te verlegen en luisterde bovendien goed naar het advies van mijn ouders, die me zo’n gewaagde stap niet aanraadden, en dus heb ik dat plan afgeblazen.’ Hij pauzeert even, denkt na, vertelt dan. ‘Op de middelbare school moest je destijds Engels laten vallen om Frans en Duits te kunnen kiezen. Dat heb ik gedaan. Engels vond ik niet spannend, die taal beheerste ik al: het ging mij om die andere talen. Het onbekende.’ En dus ging hij erop af, hij reisde naar landen waar hij de taal nog onder de knie moest krijgen. In Spanje en in Frankrijk ontmoette hij vakantieliefdes waar hij veel mee correspondeerde. En in Portugal praatte hij urenlang met de eigenaren van het pension waar hij verbleef. ‘Ik wilde die aparte klanken zo graag onder de knie krijgen dat ik eindeloos de klanken heb geoefend op mijn kamer. Dat weet ik nog goed.’

Die verlegenheid had je van je af weten te schudden…?
‘Dat is het gekke: ik ben nog steeds onwijs verlegen. Maar die vastbeslotenheid de taal te leren, zorgde er toch voor dat ik mensen aan durfde te spreken. Mezelf durfde te laten zien en horen. Ik was gefascineerd door al die klanken en talen. En nóg. Het blijft zo ontzettend boeiend. Laatst deed iemand me een Franse boekenreeks over Afrikaanse talen cadeau. Daar heb ik een maand in zitten lezen. Ik zou er nog veel meer van willen weten.’ Hij grinnikt. ‘Ooit heb ik een maand lang zitten lezen in een woordenboek Chinees-Thais. Eindeloos bladerde ik door dat boek, op zoek naar gelijkenissen, overeenkomsten, ook al ken ik de talen niet. Enorm leuk vind ik dat. Daar zou ik nog wel eens wat meer tijd in willen steken, in het leren van een nog totaal onbekende taal voor mij. Het is voor mij een spannende ontdekkingstocht.’

Maar ook op het podium lijk je je schroom verloren te hebben…
‘Sinds ik in 2003 in Melbourne was heb ik plezier gekregen in optreden. Ik was altijd vrij zenuwachtig als ik op moest, maar toen ik daar al die stoere Australiërs vol bravoure zag optreden, dacht ik ineens: nu wil ik niet als timide man daartussen staan. De stoere dichters namen me mee in hun elan. Ik voer mee op hun zelfverzekerdheid en -boem- ik stond er! Ik vergat alles om me heen, voelde me een Australian poet. Misschien hielp het dat ik in het buitenland was, weg van alles, maar sindsdien zit dat gevoel in al mijn optredens.’

Een blik op het horloge. De reis naar huis kan ingezet worden. Een gedicht in het Welsh onder de arm, meer dan een uur om deze taal te bestuderen.

Arjen Duinker (1956) debuteerde in mei 1980 in Hollands Maandblad. Van 1982 tot 1986 gaf hij samen met de dichter K. Michel het tijdschrift Aap Noot Mies uit . Samen publiceren zij bovendien in Hollands Maandblad. Zijn gedichten verschenen verder o.a. in Armada, Tirade, De Gids, Dietsche warande en Belfort, Ons erfdeel en Raster. Bovendien schreef hij cryptogrammen voor Het Vrije Volk, schreef hij voor De Krant op Zondag en verzorgde hij samen met wederom Kees ’t Hart een column in De Groene Amsterdammer.

Een greep uit zijn dichtbundels:
* 2000 – De geschiedenis van een opsomming
* 2002 – Misschien vier vergelijkingen 
* 2003 – De zon en de wereld: gedichten voor twee stemmen
* 2009 – Buurtkinderen. 

Daarnaast is Duinker ook actief als vertaler. In 2005 leverde hij een bijdrage aan Grasbladen, de vertaling van Walt Whitmans Leaves of Grass (1855). In 2006 verscheen En dat? Oneindig. Gedichten van Duinker en gedichten van Karine Martel, door Duinker uit het Frans vertaald.

Dichters die hij bewondert zijn Federica Garcia Lorca, Cabral de Melo Neto, K. Schippers, Jacob Groot en Alfred Schaffer.

 

Geplaatst in Interviews en getagd met .