'Een dichter is een heilige parasiet'

Aloys Vonckx (1988) studeerde Kunstwetenschappen in Leuven en schrijft op onregelmatige basis artikelen over kunst voor het Vlaamse tijdschrift Recto:verso. Als puber stal hij meer dan honderd boeken uit boekhandels en bibliotheken. Gelukkig werd zijn passie voor literatuur later omgezet in het schrijven van gedichten. Hij publiceerde onder andere in Gierik & Nieuw Vlaams Tijdschrift, Op Ruwe Planken, Schoon Schip en op de website van de Contrabas. Ook was hij te beluisteren tijdens poëzie-evenementen zoals Vers Geweld (in Leuven), Weg met Dichters en Dichters in de Prinsentuin.

Aloys VonckxJe schrijft gedichten op straat van jezelf en andere dichters, zo vermeld je bij je inzending. Vertel eens.
Mijn fascinatie voor Street Art is groot. Ik speelde al een tijdje met het idee van poëzie op straat. Er liggen daar veel mogelijkheden, zowel voor de dichter als het publiek. Het is een infiltratie in de publieke ruimte die bepaalde spanningsvelden opzoekt. Zo is er de spanning tussen vandalisme en kunst, maar ook tussen woord en beeld. Poëzie wordt op die manier ook een speelbal van de tijd, er komt ruis op en dat fascineert me. Poëzie kan in de dagelijkse leefwereld zo heel direct een rol spelen. Het bereik is enorm. In de publieke ruimte gebruik ik wat past op een bepaalde plek, dat hoeft dus helemaal niet mijn tekst te zijn. Het stoort mij dat alleen stadsdichters de publieke ruimtes kunnen opeisen vandaag. Schrijf die straten gewoon vol! Poètes aux armes!

Hoe ontstaat bij jou het idee voor een gedicht? Geloof je in inspiratie of hecht je waarde aan bepaalde schrijfrituelen?
Je moet eelt op je kont willen krijgen. Boven mijn bureau hangen grote witte papieren aan de muur. Hierop schrijf ik elke (on)zin die ik bedenk of lees. Tijdens het schrijven gebruik ik dan soms die papieren als een ‘duwtje-in-de-rug’. Het werk van bepaalde videokunstenaars stimuleert mij de laatste tijd ook wel. En koffie, veel koffie…

Welke dichters zijn voor jou een belangrijke inspiratiebron geweest?
Dat verandert voortdurend. De bundels die mij tot schrijven aanzetten lijken in het geheel niet op wat ik zelf schrijf. Onlangs las ik Het boek van de kou van de Spaanse dichter Antonio Gamoneda, en ik haalde hier veel beelden uit waar ik mee aan de slag kon. Maar zelf zou ik niet zo willen en kunnen schrijven. Ik heb veel bewondering voor Lieke Marsman en Menno Wigman. Van hen heb ik eigenlijk altijd wel een bundel op mijn bureau liggen.

Je treedt regelmatig op met je gedichten. Wat is er zo leuk aan voordragen?
Eigenlijk treed ik niet veel op, integendeel. De eerste keer dat ik voordroeg, zakte ik door mijn knieën van angst. Toen ik met ‘Weg met Dichters’ op tournee was, heeft Sylvie Marie mij veel tips gegeven. Dat was ook nodig, op een podium hing mijn rug hoger dan mijn hoofd. Voor de ‘Nacht der poëten’, de slotavond van ‘Weg met Dichters’, zei Menno Wigman wel drie keer: ‘Je moet denken, het publiek is een man die alles weet maar niets kan’. Dankzij die tournee geniet ik nu meer van een optreden. Ik heb daar van erg goede dichters de steun gekregen die ik nodig had. Maar het allerleukste is natuurlijk de gratis drank.

Hoe bereid je je op zoiets voor?
Toen ik de eerste keren voordroeg, was ik de dag ervoor al mijzelf aan het opnemen. Nu vouw ik gewoon enkele papieren samen, steek ze in mijn achterzak en drink een Duvel voor ik het podium opkruip. Die minuten vlak voor het optreden, blijven wel spannend. Soms treed ik ook gewoon niet op, ook al ben ik aanwezig. Dat heeft vooral te maken met de omgeving die me plots enorm kan tegenvallen. In Leuven is dat een keer gebeurd. Het grappige is dat ik toen nog in het ziekenhuis ben beland met een schouderluxatie.

Het beroep van dichter levert vaak geen inkomsten op waarvan te leven valt. Wat doe je als je niet dicht?
Ik werk bij een bedrijf dat voornamelijk bestaat uit glas en beton. Mijn collega’s lijken zo weggelopen uit een roman van Houellebecq. Ik moet helaas zelf elke ochtend voor de spiegel denken aan het gedicht ‘Tuincentrum Osdorp’ (Menno Wigman). Ach ja, ik hoop binnenkort enkele vriendschappen te sluiten waarop ik kan parasiteren. Een dichter is een heilige parasiet.

Wat betekent poëzie voor jou?
Ik vermoed dat poëzie met een tegenstrijdig en verfijnd taalgebruik bepaalde existentiële paradoxen kan overwinnen. Hierin ligt ook de waarde voor de lezer. Er zijn veel wetenschappers die poëzie interessant zouden moeten vinden, hoop ik. Bij kwantumfysici bijvoorbeeld, is de interesse om die reden heel groot. Kwantumfysici zeggen ook dat we ons niet moeten bezighouden met de ‘oerstof’ achter de zichtbare wereld, maar met de zichtbare wereld. De zichtbare wereld geeft tegenstrijdige metingen maar die paradoxen geven bestaansrecht aan die voor ons niet te bepalen ‘oerstof’. Een oxymoron, bijvoorbeeld, is een heel directe weergave hiervan. Het is één atoom dat zich opsplitst. De tegenstrijdigheid is de enige waarheid, en dat schept onbehagen. Poëzie is een gevoelsmatige benadering van kwantumfysica.

Je hebt inmiddels gedichten gepubliceerd in tijdschriften, je geeft voordrachten en je houdt een eigen poëzieblog bij (bobvandenbroeck.wordpress.com) Wat zijn je verdere toekomstplannen?
Dat vroeg mijn broer ook altijd. En met hem heb ik ondertussen geen contact meer. Ik heb een heel grote tong (geen grap), misschien ga ik daar wat mee aanvangen. Hopelijk kan ik binnen enkele jaren eens een bundel laten uitgeven…


Geplaatst in Interviews en getagd met .