Adam Foulds – Het gebroken woord

Een gewelddadig bouquetreeksdeeltje

door Levity Peters

Laat ik gemakkelijk beginnen, ik citeer:
‘Kenia, de jaren vijftig. Tom brengt nog een zomervakantie door op de boerderij van zijn ouders voordat hij in Engeland gaat studeren. Dan keren de Kikuyu zich tegen de Britse bezetter. Tom raakt betrokken bij het neerslaan van de opstand. Terug in Engeland kan hij zijn leven maar moeilijk oppakken.’
Opnieuw volgens de rugtekst:
Het gebroken woord is een magistrale bespiegeling over volwassen worden in tijden van geweld. Foulds maakt de pijn en dilemma’s heel tastbaar.’
Dan volgt een opsomming van de verdiensten van Adam Foulds (1974), wiens debuut in 2008 onderscheiden is met de Costra Poetry Award. Over deze bundel schrijft Craig Raine: ‘Het gebroken woord is een eersteklas, briljant debuut waarvan alles woord voor woord klopt. Het lange gedicht is de moeilijkste dichtvorm, maar Adam Foulds slaagt met vlag en wimpel.’
Tot slot: ‘Een indrukwekkend debuut, geschreven in meeslepende, filmische scènes.’ – Financial Times Magazine.

Al bij de eerste zin is het raak:

De gebalde gloed van een lucifervlam bij daglicht –

Ik ben nog niet halverwege, en sta al perplex: wat is dit opzienbarend geschreven! Elk woord klopt! Als een zwerende vinger zou mijn oude moeder zeggen. Stel je maar eens de vlam van lucifer voor in Afrikaans daglicht, en probeer de gebalde gloed te zien. Het speelt zich af in een trein, waar Mijnheer Jenkins een vuurtje krijgt van een zwarte kelner.

– en de donkere hand van de kelner bewegingloos als een ornament, –

Een ornament? Een versiersel? Waarvan?

– de vlam een rechtopstaand blad dat zich, toen Jenkins zijn sigaret
aanzoog, naar hem toeboog
doordat de trein trager was gaan rijden.

Hier is een romanschrijver aan het werk (Foulds schreef er drie) die probeert poëzie te maken van een verhaal, maar geen idee heeft hoe dat moet.
Die lucifervlam bij daglicht doet natuurlijk wel poëtisch aan, maar dat daglicht is in die trein niet gewenst, afwezig en overbodig, evenals dat ornament. Het rechtopstaande blad van de vlam verduistert die alleen maar. Metaforen zijn niet zijn Foulds fort.

De eerste alinea is dan nog niet voltooid. Er is ook nog sprake van een leeuwkleurige sloppenwijk, ‘met z’n kattenpensionstank’. Een kattenpension in de jaren vijftig?
De hoofdpersoon wilde dat de trein doorreed, maar dat deed ie niet, totdat de trein, ‘met een schok’, weer op snelheid kwam. Asjemenou!

We laten de kelner achter ons, van wie mijnheer Jenkins gehoord heeft dat er zich een jonge Engelsman in de trein bevindt, die hij bij zich laat roepen. Hoofdpersoon Tom, over wie we nog minder te weten komen dan over mijnheer Jenkins:

Die Jenkins, hij kende hem nog vaag, had een snor van tweed:
rood bruin wit garen

Je zult nog wel niet roken

en haar zo dun en gepommadeerd,
en zo tot in de puntjes glad
dat het wel een lik verf leek.

Mijnheer Jenkins brengt Tom op de hoogte van de toestand:

(..) De eed is eveneens gezworen
bij je vaders landgoed.

Welke eed?

De rituelen, de beloften:
meedoen of je keel door.
Of erger. Hier niet ver vandaan
waren er twee die niet wilden.
Aan stukken gesneden, begraven, weer opgegraven
waarna anderen, om ze in het gareel te houden,
werden gedwongen stukken van ze te eten.
Een van hen hield het niet natuurlijk en verraadde de boel.

Jenkins keek naar Tom, de jongen z’n
vingertoppen nog steeds op de tafelrand,
z’n mond een beetje open, een blos
van angst, de goede, gezonde angst
die hem zou kunnen redden.

Blozen doe je van opwinding, verbleken van angst. Dit terzijde.
De verschrikkingen worden filmisch opgediend. Maar dan komt Tom thuis bij vader, moeder en zus Kate. In hoofdstuk 2, ‘Etenstijd 1’ zijn we getuige van de moord op twee kolonisten, waarna hoofdstuk 3, ‘Etenstijd 2’ begint met:

Kate in bad voor etenstijd.
Warm, zeepbewolkt water. Melodieus gedruppel.
Haar haar deinde zwaar op haar schouders.

Alsof ze te paard te water was.
Maar nog gekker wordt het in de volgende beschrijving. Wil je weten hoe gek, doe dan maar Kate na, en kijk of je hetzelfde waar kunt nemen:

Ze ging rechtop zitten om in de scheerspiegel
haar tanden te inspecteren.
Twee vingers in elke mondhoek,
lippen van elkaar getrokken
om te kijken of ze geel zagen
van stiekem roken.
Ze keek nauwkeurig,
haar adem hortte, ze slikte
en snoof, en zag
het gladde tapse tandvlees
over de wortel van iedere tand vloeien,
vreemde doorzichtige vlekjes in haar voortanden –
een soort korreltjes, aan de onderkant,
met de kleur van water –
de dikke tong die maar niet stil bleef liggen
achter zijn muur van tanden,
zwaar omhoog kwam, met opstaande randen,
daaronder donkerblauwe aderen en lelijke pezen
en, brandend van het trekken
een riempje tussen bovenlip en tandvlees
strak als een meertouw. (..)

Het is nog niet aan het eind, dit stuk, maar ik nok af. Wat deugt hier nu wel aan?
Het verbaast mij dat de vertalers het inferieure van dit dichtwerk niet hebben gezien. Nota bene vertalers van Nobelprijswinnaar Seamus Heaney! Of zouden ze het op prijswinnaars hebben voorzien, succes verzekerd?
Er wordt slecht vertaald, dat kan, maar ik kan mij niet voorstellen dat het Engelse origineel beter is.

Tom doodt zijn eerste man.
Een scène uit een kinderboek, die hilarisch wordt:

(..) Overal lagen lijken
in verschillende houdingen:
verdoofd, uitgestrekt, slapend, gestruikeld.
Toen sprong een kerel ergens achter vandaan
en Tom schoot hem neer.
Net als in een cowboyfilm: de indiaan valt aan –
Tom zag de man recht in zijn ogen kijken,
clownesk van angst,
toen hij de trekker overhaalde,
hij zag de kogel een plons maken
in de man z’n naakte borstkas.
Alleen zijn val achterover was anders,
losser en lelijk, stuiptrekkend, haast gênant.
Een militieman naderde hem langzaam
van opzij en schoot nog eens op de kronkelende man.

Dit is pas gênant, en niet bijna. Het zou bijzonder zijn en vermeldenswaardig wanneer de doden er stuk voor stuk hetzelfde bij gelegen hadden. Een verdoofde dode, een slapende dode – toe maar! De andere laten we er, gestruikeld, maar bij liggen.
Een kogel die een plons maakt in een naakte borstkas is ongeëvenaard, evenals een val die ‘anders’ is.
Wat is dit erbarmelijk geschreven! Het is zo slecht geformuleerd allemaal, zo totaal zonder verbeelding, zonder enig gevoel voor dynamiek, zo gevoelloos ook. De woorden schieten me tekort, zo tenenkrommend slecht! Dit is van de gekke! Wat moet deze schrijver invloedrijke vrienden hebben! Aan de adviezen van Craig Raine en Adam Frost die hij ervoor dankt, heeft hij, mijns inziens, niet veel gehad. Die kunnen blijkbaar niet lezen.

Een van de betere alinea’s (strofe kan ik dit niet noemen):

Drie weken later kwamen twee van de mannen terug,
woordeloos en wankel, zwaar geredigeerd, samen hadden ze nog:
negen vingers, twee oren, drie ogen, geen testikels.
Niemand had nog iets aan ze, ze werden vrijgelaten
om nog even als eendagsvliegen rond te zwerven
en te sterven als waarschuwing.

Geredigeerd. Dat had in het geval van deze bundel geen kwaad gekund. Het is mij niet duidelijk wat de schrijver met zijn bundel beoogd heeft. Geschiedschrijving? Een coming of age?
Ik ken vier mensen die anderen gedood hebben. De een hield er KZ syndroom aan over, de ander beweert dat hij er geen trauma’s van heeft, maar gilt ‘s nachts iedereen in huis wakker, de derde is van een vrolijke levensblije jonge vent veranderd in een bedeesd wrak, de vierde eindigde zijn leven als junk.
Bij onze hoofdpersoon die drie zwarten omlegde niets daarvan. Geloofwaardig?

Hij is wat gewelddadig geworden. Nadat hij een meisje dat hij al te gretig geprobeerd had te pakken, (‘.. zag haar tanden / naar binnen klappen onder een lekkere dikke stok.) bij een volgende ontmoeting zijn excuses heeft aangeboden, krijgt dat verhaal dit wonderbaarlijke vervolg dat het slot is van deze onvergetelijke bundel:

Maar toen zei ze iets. Tom.
Haar stem die zijn naam zei,
ging zacht door hem heen.
Tom, ik hoopte al dat ik je zou tegenkomen.

Ja?

Ja. Ik denk, ze glimlachte, nou ja,
dat ik je gemist heb.

Echt?

Je klinkt verbaasd. Hoor eens,
het is gewoon, nou, als je…
meer wilt, de meeste jongens
gaan dan eens kijken,
je weet wel, moet ik het
uitleggen? Bij de juwelier.

Regelrecht uit het sentimentele hart van de bouquetreeks.

***
Adam Foulds (1974) is de schrijver van drie romans. Voor Het gebroken woord, zijn poëziedebuut, ontving hij in 2008 de Costa Poetry Award. Voor de roman De dwaaltuin werd hij in 2009 genomineerd voor de Booker Prize. Foulds werd in 2013 genoemd als een van Granta’s Best of Young British Novelists. In 2014 verscheen In de wolfsmuil.
Onno Kosters en Han van der Vegt vertaalden eerder Seamus Heaney.

Geplaatst in Recensies.