Leonard Nolens – Opzichtige stilte

De omgekeerde wereld 

door Johan Reijmerink

In zijn nieuwste bundel Opzichtige stilte heeft Leonard Nolens de binnenwereld van de maatschappelijk gemarginaliseerde mens naar buiten willen brengen door zich in te leven diens situatie – sterker nog, door de benarde existentie te tonen waarin deze mens gevangenzit. Wat is normaal, wie is normaal? Wie neemt wie de maat? Wie schiet er nu echt tekort in deze maatschappij?
Door de binnenwereld binnenstebuiten te keren geeft hij inzicht in wat ten diepste de ervaring is die leven heet. Wat Nolens de ‘wij’ en de ‘ik’ uit zijn vierdelige bundel laat ondergaan, is voor mij tevens een metafoor voor de positie van de dichter in de moderne samenleving. Een dichter heeft zijn sensoren op de werkelijkheid gericht, maar blijft daarin van nature een buitenstaander. Wat hem onderscheidt van de oplettende lezer, is zijn distantie tot diezelfde werkelijkheid en zijn scherpe waarneming en verwoording ervan. In die positie manoeuvreert hij zich in de rol van de nar die de ongewenste waarheid op tafel legt.

De bundel bestaat uit vier afdelingen: De Kuur 1, De Kuur II, Ontslag en Weerzien. Met het motto van Henri Michaux duidt Nolens meteen zijn invalshoek aan: ‘Wie zijn zot verstopt, die sterft zonder stem.’ In zijn kruistocht tegen een dwaas systeem waarin de mens zichzelf uit het oog dreigt te verliezen, wenst hij zich te keren. Het systeem in dit gedisciplineerde ‘kuuroord’ is exemplarisch voor veel systemen waarmee we onze samenleving op een technocratische manier hebben opgetuigd.

In de eerste afdeling ‘De Kuur I’ komt de nieuweling binnen: ‘Gefluister, lachen en stiltes kringelen/ boven tafels,/’. ‘Tientallen zwijgende koppen’ volgen hem naar zijn plek. Met elkaar vormen de patiënten ‘een doelgroep van losgeslagen figuren.//’. Ze raken in de kortste keren geanonimiseerd: ‘Geen klank, geen kleur brengt ons in beeld.//’. In zes disticha per gedicht vertelt Nolens ons uiterst compact een op een middeleeuwse moraliteit lijkend verhaal in verzen.
In een vrieskou van bezoekers en hulpverleners groeit in het lyrisch subject de wens:

Genees ons van hen die ons blijven verwekken, verkoel
de koorts van chronische geboortepijn.

Niemand kijkt hen aan. Ze kijken blind naar buiten.

Stethoscopen betasten en testen ons ademloos
luisterend. Horen zij, weten zij veel hoe wij heten.

In die anonieme sfeer wordt in twee maanden tijd

geen letter meer aangeraakt op papier.
Men leert ons hier eten en slapen. En schrijven is slecht.

Praten, dat kan. In de groep. Alleen is verdacht.
Met zijn tweeën mag ook. Op de gang. Maar niet in de kamer.

En daarnaast is er de groepstherapie met mensen van diverse komaf:

Vanochtend begon een groep aan zijn schreeuwtherapie.
En al dat lawaai is niets dan opzichtige stilte.

In dat lawaai openbaart zich een stilte die juist daardoor meer opvalt dan wanneer het stil zou zijn geweest. Het is een hartverscheurende stilte.
We zijn ondertussen voedsel geworden voor de behandelende geneesheren:

men maakt uren
in groepsverband en ze vullen ons langzaam met weerzin.

Het enige dat rest, zijn de dromen van de nacht die ‘ons luizenbestaan op de been’ houdt. Heeft de dokter met zijn schreeuwtherapie wel het juiste middel in handen of zijn de patiënten hun eigen ‘hartspecialisten en hersendeskundigen’?

Men wordt hier een groep in de greep van zijn eigen verwarring.
Uitersten maken solisten als wij solidair.

Toch behouden deze ‘solisten’ hun

trots als ervaringdeskundigen
van het verdriet, al schaamt het zich voor uw compassie.

Niet in deze ‘marginalen’ schuilt het tekort, maar in u, de artsen. Deze krijgen dan ook het advies:

Ontvang onze groep in het diepste geheim van uw privacy.
Neem ons de maat met de grootte van heel uw tekort.

In de tweede afdeling ‘Kuur II’ vervolgt Nolens met vijftien Perzische kwatrijnen, elk van een afzonderlijke titel voorzien. Deze kwatrijnen hebben het specifieke eindrijmschema aaba en vormen gedichten met een aforistische inslag die elk voor zich kunnen bestaan. ‘Geen glazen kooi kan dicht./’ Onze trots kan niet gekooid worden op deze plek waar caritas ons heeft opgesloten en waar wij ‘groepsgewijs alleen van hand tot hand’ gaan.
De groepsdynamiek is zo bedreigend dat de identiteit van de ik gedurig ten onder dreigt te gaan. Gelukkig ‘sliep [ik] nog niet in een groep. Jij wist nog wie ik was./’. Een straf dagritme regeert de levens van deze ‘gevangenen’. Denken aan terugkeer in de samenleving boezemt vrees in: ‘Ook wij zijn als de dood om u een hand te geven./’.

Nolens weet treffend allerlei begrippen die bij de ‘inrichtingscultuur’ horen om te smeden tot wapens van verzet tegen de manier waarop wij met elkaar het leven hebben ingericht: ‘De code is geheim. En die vergeet ons niet.//’. In plaats dat de dokter de patiënten met zijn houding, optreden en diagnoses een oor aannaait, hebben de patiënten zich zijn ego aangemeten. In dat isolement blijft het verlangen naar een vrouw aan de telefoon overeind: ‘Haar antwoord woelt ons bloot.//’. En is er af en toe ’s morgens ‘soms schrijftherapie. Wij moeten ons eerlijk noteren./’. Schrijven en dichten als therapie om in leven te blijven, en zich ertegen te weer te kunnen stellen: ‘Wij moeten genezen door ons aan een pen op papier te bezeren.//’. Hier spreekt de dichter als marginalist tot zichzelf.

De derde afdeling ‘Ontslag’ kondigt het vertrek uit de inrichting aan. Ze voelen zich uitgedrevenen:

Ik zie pijn daar nog staan op straat
op die stoep waar zij maanden geleden
mijn mond had afgegeven,

Ze worden nu verdreven uit hun opsluiting:

Ik kom ze morgen weer tegen,
men woont in een wond die niet went.

Er manifesteert zich in deze afdeling een nadrukkelijke distantie van de ik tot zichzelf:

Praat met je.
Blijf met je praten.

Wie lang met zich praat ondergaat een verhoor
in den vreemde.

Om de situatie scherp in beeld te brengen depersonaliseert Nolens degene die vertrekt uit zijn opgesloten zijn:

Blijf bang.
Blijf bang en blijf bij je.
[…]
Bestempel je toekomst
met omgangsvormen van afscheid.

De titels van de gedichten geven deels een gebiedende wijs aan: ‘verhoor’, ‘doorsta je’ , ‘ren’, ‘zwijg’ en ‘verwees’. Zo dien je het leven opnieuw binnen te gaan. Vol goede voornemens. Als begeleiding is er nog even een brandbrief met als kenschets van de ontstane situatie de metafoor van

De vis uit het stromende zwart
van zijn diepte wat licht. En doe dat alleen.
Men kan dat alleen maar alleen.
En komen ze, geef het dan
af.

Dan blijkt het verhaal weer van voren af aan te beginnen, zoals het leven eerder ooit begon:

Wat voor leven was dat?
Welke zelfde spijker?
Hij had geen flauw idee.

Zijn leven nam op het leven
slaand ons leven de maat.
En iedere slag klonk raak.

De vicieuze cirkel van het onontwijkbare lot.

De laatste afdeling ‘Weerzien’ geeft een weerzien met het vroegere leven en de geliefde. Haat, verdriet en zwijgen overheersen het samenzijn:

De man en de vrouw verzwijgen elkaar.

Verdriet is vandaag ene tersluiks gelezen klassieker,
een ingesleten, geheime gewoonte.

Nolens weet zo personifiërend over deze diepgelegen emotionele verwikkelingen te schrijven, dat hij ze ver voorbij het clichébeeld weet te brengen. Zoals hij het verlangen van de teruggekeerde weet te verwoorden is ontwapenend:

En mijn eerste natuur is een levendig kind ongeboren.
Het speelt in het donker nog steeds met zijn moeder,
beschut en warm, geen ingeslikte traan.

De schroom tussen de geliefden na zo’n lange scheiding krijgt haar subiele aanduiding in woorden als

Je hangt je jurk over de stoel en kunt niet naakt
voor mij verschijnen, slimme
sluiers van herinneringen kleden je lichtjes
dansante manieren van gaan.

De dichter gaat niet alleen tastend zijn weg door de gevoelvolle en pijnlijke ervaringen van de teruggekeerde patiënt, maar weet ook trefzeker de toetsen van zijn taalinstrument te raken. Het weerzien is tevens een voorbereiding op het naderend afscheid van de wereld: ‘het is voor iedereen mijn beurt om door te gaan.’//’.  De laatste afdeling maakt de bundel voor mij ook tot een bundel van liefdesgedichten op het leven:

En komt zij straks terug,
dan trekt zich de contour van deze stad weer strak
om ons en worden wij het centrum van elkaar.

Nolens is als winnaar van de Prijs der Nederlandse Letteren (2012) wederom zeer goed in staat gebleken om een thematisch knap doorgecomponeerde bundel te maken. Strak en doordacht opgebouwd als een tocht van Orpheus door de bovenwereld, met uitzicht op een mogelijke verlossing met Eurydice na zijn dood. Op een besliste en genadeloze wijze stelt hij de ontmenselijkende positie van de mens levend in de marge aan de kaak. Ze kunnen enkel op onbegrip en bevoogding rekenen. Deze meest sensibele mensen worden van hun identiteit ontdaan door een systeem dat er zich op voor laat staan ze opnieuw doorgang en genezing te verlenen tijdens hun leven. Ik heb de bundel niet alleen gelezen als een intelligente aanklacht tegen het door en door bureaucratische hulpverleningssysteem dat we met elkaar hebben opgebouwd en in stand wensen te houden, maar ook als een aanklacht tegen de geïndividualiseerde samenleving. We doen daarover dag aan dag het zwijgen toe. Daarbij past een titel als een ‘opzichtige stilte’. De wereld vol paradoxen.
***
Leonard Nolens (1947) publiceerde in 2009 Dagboek van een dichter 1979-2007. In 2012 verscheen Manieren van Leven 1975-2011, de zevende editie van zijn verzamelde gedichten.

Geplaatst in Recensies.