Ik fantaseerde dat de doden er tafelden

Eric Ruygers (Heerlen 1955) woont dertig jaar in Rotterdam en is al in de vroege puberteit begonnen met gedichten schrijven. Naast dichter is hij beeldend kunstenaar. Hij deed de Bibliotheek- en Documentatie Academie en studeerde aan de kunstacademie: de Vrije Academie Psychopolis in Den Haag en de Willem de Koning Academie in Rotterdam.

Eric RuygersHoe is het begonnen, het schrijven?
Ik ben begonnen met schrijven op een Dora typemachine, die mijn moeder had gespaard met Albert Heijn-zegeltjes. Ik maakte voor mezelf kleine boekjes met teksten en tekeningen, die niemand onder ogen kreeg. Op m’n achttiende heb ik alles weggegooid.
Die typemachine heb ik heel lang gehouden. Tot hij vijftien jaar geleden werd verdonkeremaand uit mijn atelier, samen met mijn pick-up waarop Pink Floyd’s The dark side of the moon lag.
Na mijn studie aan de Bibliotheek- en documentatieacademie kwam ik in de Koninklijke Bibliotheek te werken. Ik heb er twee jaar gewerkt. Er stonden daar vijf grote boekenmagazijnen tot mijn beschikking. Zo kon ik tijdens mijn werk stiekem dichters lezen. Roland Holst, Vroman, Bloem, en Achterberg, vooral hij. Eigen invallen schrijven op de achterkant van mijn werkbriefjes.

Je deed een workshop bij Willem van Toorn
Ja, toen ik een jaar of 25 was. Hij zei: voor schrijven heb je drie zaken nodig: de wens jezelf beter te leren kennen, de liefde voor taal, en iets waar je je ontzettend kwaad over maakt. Dat is me altijd wel bijgebleven. Ik heb goede herinneringen aan die tijd. Ik ontmoette toen Erik Menkveld. We raakten voor enige jaren bevriend, bezochten elkaar, correspondeerden, en debuteerden ongeveer tegelijkertijd in de Revisor. Maar we waren beiden ontevreden over eigen werk en stopten met publiceren.
Ik wilde mijn poëzie veranderen, maar daarvoor moest ik als persoon veranderen.
Tussen mijn vijfendertigste en vijfenveertigste schreef ik weinig gedichten. Wel hield ik, bij perioden, dagboeken bij. Maar na mijn veertigste begon ik meer inzicht te krijgen in mijzelf, in mijn behoorlijk traumatische jeugd, en dat redde mij, als persoon, maar ook op creatief vlak.

Wat is belangrijker voor je de beeldende kunst of het schrijven?
Schrijven. Maar soms moet je daar van weg, van het al te dwingende van de woorden, en je zintuigen het plezier geven. Het fysiek bezig zijn is dan ook prettig. Maar mijn tanende gezondheid maakt dat laatste steeds moeilijker.

Hoe gaat het schrijven in zijn werk?
Je hebt een eerste regel. Of een gevoel , in het moment zelf, of een gevoel over vroeger. Dat wil zich dan laten horen. Dan ga je brainstormen, en als er iets bruikbaars tussen zit ga je daarop door. Dan gaat geleidelijk aan de taal werken, de vorm zich aandienen. Het is ploeteren, de zeldzame momenten van wind in de rug daargelaten. Ik vind het fijn dat je je in gedichten niet aan logica hoeft te houden.

Wat betekent het schrijven voor je?
Het is mijn reden van bestaan, maar dat klinkt te dramatisch. Het is in ieder geval ontzettend belangrijk. Ik was eenzaam en kon dat in mijn gedichten kwijt. Ik hield van de taal en Nederlands was het enige vak waar ik op school een acht voor scoorde. Poëzie was voor mij een uitlaatklep. Ik denk dat het bij iedereen zo begint, of zich nu de eenzaamheid of de verliefdheid of wat dan ook als thema aandient. Maar het is de vraag of je het talent hebt om je gedichten boven het persoonlijke uit te tillen.

Je houdt van een vaste vorm?
Ik schrijf haast vanzelf jambisch. Ik vind het moeilijk om dat niet te doen, het ligt nu eenmaal dicht bij de spreektaal. En die vorm, die zit me wel eens wat te strak. Anderzijds mis ik in de huidige poëzie een beetje de aandacht voor de vorm, en de muzikaliteit. Menno Wigman is de beste van nu, vind ik. Het sonnet is een mooie vorm, maar ik schrijf ze nooit, hoewel ik het wel eens geprobeerd heb, en nog wel eens wil proberen. Ik vind het ‘t prettigst wanneer een gedicht in terzinen valt. Een kwatrijn is een vierkant geval. Men heeft het niet voor niets altijd over de drie-eenheid.

Dieren spelen een rol in zowel je beeldend werk als in je poëzie
Het gebeurt zonder dat ik er erg in heb. Maar de merel is wel een belangrijke vogel voor me , eentje die ik opzoek. Het alwetend oog van die bange merel die rond struint onder een heg. Hij staat voor wat ik zélf niet weet over wat hij wél weet, terwijl het mezelf juist aangaat. Ach, net als de wind, en het bladergeruis, je weet wel…In mijn beeldend werk komt hij trouwens niet voor, geloof ik…andere vogels wél. Die mussen uit het gedicht observeerde ik ongeveer 25 jaar geleden op de Haagse Leijweg, met mijn vriendin op een terras gezeten. Daar schreef ik iets over neer. Twintig jaar later kwam er een gedicht uit.
Als ik vroeger een mislukking uit de typemachine rukte, tot prop verfrommelde en boos wegsmeet, dan kwam mijn kat de proppen naar me terug brengen. En dan fantaseer ik, als die kat het terugbrengt, moet er toch toch nog iets goeds in staan… en dan vind je een verrassende eindregel.
Katten zijn mystieker dan honden. Sensueel en soeverein. Een hond is wat dommig, maar ook meer recht door zee, een man. Katten zijn vrouwen. Kousbroek schreef: als je een kat uitpakt komen er mooie, Franse gedichten uit, als je een hond uitpakt vind je de uitslagen van het zaterdagmiddag-amateurvoetbal. Maar ik houd van beide. Ik mag graag de trouwe hondenschedel aaien.

En er schemert ook een niet uitgekomen kinderwens door in je gedichten?
Ik heb niet echt een zwaar onvervulde kinderwens. Soms denk ik wel eens, waarom vind ik het niet erger, dat ik geen kinderen heb . Ik heb wel kinderen van mijn vroegere vriendin enigszins mee helpen opvoeden. Maar inderdaad: ik heb mijn Fleischmann trein bewaard voor de zoon die niet kwam. Ik heb hem na het schrijven van het gedicht in mijn kamer gezet. Voor mezelf. Een dichter als Marjolein de Vos schrijft veel over die onvervulde kinderwens. Voor vrouwen ligt het natuurlijk gevoeliger.

Ook schrijf je beeldgedichten
Iemand als Piet Gerbrandy vind het beeldgedicht een ergerlijk genre. In zijn ogen blijft het een illustratie bij een plaatje. Je zou hetzelfde kunnen beweren over een gedicht bij ‘het leven.’ Als je het beeld kent, als je ‘de’ dagelijkse realiteit kent… wat is het verschil? Als het resultaat niet goed is, ligt het niet aan het genre, maar aan de uitvoering.
De verleiding om nu in de uitgesleten sporen van een discussie vol termen als autonomie, hermetisme versus anekdotiek, het gedicht als ding, niet meer verwijzend naar de werkelijkheid, etc. te treden, is mij gelukkig vreemd. Zij is vermoeiend, vruchteloos, en wordt bij mijn weten alleen in Nederland gevoerd.

De dood speelt ook een rol in je werk
Ik heb niet echt wat met ‘de dood.’ Ik bedoel: ik ben niet bang voor die ‘leegte,’ ook niet voor een eventueel oordeel van een fantasie-opperwezen. Ik hoop natuurlijk op een vlot en prettige verloop, een pijnloos over and out. Dan treft de dood het meest wie verdrietig achterblijven en in de tijd verder moeten. Er zijn in het laatste decennium nogal wat mensen om me heen weggevallen en je wilt graag iets kwijt over je verdriet.

Hadden jullie zombies op zolder?
Ik kom uit een gezin met vier zussen en een broer. Na de maaltijd, wanneer er nog verder gekibbeld werd, mocht ik op mijn verzoek soms eerder van tafel. Dan klom ik wel eens naar onze geheimzinnige, schaars verlichte zolder, waar de wind door de kieren huilde en je het mistroostig gezoem van de nabij gelegen DSM goed kon horen. Ik fantaseerde dat de doden er tafelden. Veel meer wil ik er niet over zeggen. Wat ‘de vergeten proloog’ inhoudt, dat houd ik voorlopig of voor altijd voor mezelf.

Wat is verder belangrijk voor je?
Het ongrijpbare van het heden. Het onvermogen het volle hier en nu te beleven. De eigen identiteit, ik wil nogal eens van ik naar je naar hij wisselen in gedichten..
Ik vind dat je tijdens het schrijven niet ál te zeer een intentie moet hebben, dan sta je immers niet open voor invallen. Bernlef had een mooie paradox voor de vereiste geestesgesteldheid: ‘verstrooide concentratie’. 
Ik ben een melancholicus. En ken angsten. Maar ben ook vaak vrolijk, en kan mensen aan het lachen maken. Dat zat er al vroeg in. Als kind al wilde ik Johnny en Rijk worden. Deed dan de Dikke, dan de Dunne na. Op stadslog.nl heb ik nu een rubriek waarin ik de lichtere en komischere dingen kwijt kan, mits ze op het Rotterdamse betrekking hebben. Ik hoef mijn diepe zielenroerselen er niet in te gooien, en dat is op zijn tijd prettig.
Maar die diepere zielenroerselen, zoals ze wel relativerend worden genoemd, die blijven de hoofdzaak.

Geplaatst in Interviews en getagd met .