Gedichten

VLUCHTPOGING

Wanneer ik in de trein zit dan denk ik
aan een denkbeeldig vierkante huls om de trein heen,
één waarbuiten de trein nooit schudden kan,
dat stelt mij gerust.

Soms als ik de airco in de taxi voel,
dan denk ik aan alle bacteriën, de ruimte in geblazen.
Dan denk ik, het kan nooit erger zijn dan wat roken met mijn longen doet.

Ik denk aan doodgaan,
aan dat je dan niet meer uitademt maar de aarde voelt,
die je longen naar haar toe trekt, dat stelt mij gerust.

Wanneer ik in de bus zit en de aanwezigheid van alle aanwezigen voel,
denk ik aan de crash die we zouden kunnen hebben,
Hoe onze lichamen tegen de ruiten zouden slaan.

Ik denk aan hoeveel passen ik moet zetten om in welke kamer dan ook,
bij de uitgang te zijn,
ik tel 33, 9, 21.

het zijn de coördinaten
van een huls lucht waar ik heb gestaan,
die nu de klap opvangt.
Dit stelt mij gerust.

DIT KLINKT ALS MUZIEK

In stoeltjes waar geen hoofd in past zitten we, luisteren we.
Niemand wilde hiernaartoe maar het meisje mocht kiezen.

De poortjes van onze huizen staan open alsof er nog iemand thuiskomt.
Iedereen hoort dit: hoe zacht een vlag wapperen kan.
De struiken bewegen niet, wind is een verre herinnering.
Deze straten hebben andere namen dan we gewend zijn.

Een orkest speelt,
iets van een moderne componist, laat van zich horen,
trompetten adagio, dan komen de klarinetten en basgitaren.
Pauken, hoorns zwellen aan, de dirigent dirigeert.

In onze huizen is er een vader wiens mopperen in de hart en nieren van iedere soldaat zit,
wiens mopperen de adem van de oorlog is, een conflict gaande houdt.
Een impasse in stand houdt.
Een moeder wiens zonen haar allang voorbij zijn, een moeder die haar nagellak deelt met
vriendinnetjes.

Als de hoorns en trombones en trompetten galmen, schateren,
laat de dirigent zijn stokje vallen. Zijn haar komt voor zijn ogen te hangen.

Als een laatste borrelnootje barst op rokerskiezen, met drop erachter, aan gruzelementen ligt op een
mentholtong,
buigt hij,door dacht dat het verder kon.

Ik klap tot ik mezelf als laatste hoor.

ONCE YOU GO BLAUWE VINVIS YOU NEVER GO BACK

Op een dag een beetje zoals deze,
maar niet helemaal als in de lucht is nu niet zo blauw, niet blauw genoeg voor een achtergrond op
schoolfoto’s, pasfoto’s, vakantiefoto’s, foto’s.

Op een dag blauwer dan vandaag,
Ligt er maar een golf op zee.
Je had ‘m moeten zien liggen,
omringd door verte,
liggend op diepte.

Eronder zwemt een man,
precies eronder, niemand verwacht dat
Een golf een man verbergen kan.

Maar dit zijn de dagen, toen en tot de dag van vandaag,
waarop alles uit zijn handen lijkt te vallen, je kunt ‘m niet op z’n voeten vinden.

Op het strand, vindt hij zijn palmen lager dan zijn vingers.
Met zand onder zijn nagels, oogleden samenknijpend, ziet hij zijn golf niet.
Er zijn er teveel op deze niet zo blauwe, maar toch kalme dag.

En de man denkt wat nu als
Mijn handen nooit meer wit zullen zijn.
Wat nu als ik nooit meer mijn hoofd in de golf kan steken, als een periscoop gebruiken.
Wat nu als het niet veel beter wordt,
dan een rustige dag aan zee.

Geplaatst in Gedichten en getagd met .