Jan Lauwereyns – Theorie van de rondworm

Een theorie over mensen en wormen

door Levity Peters

‘Wie waanzin wil begrijpen,/ moet de beweging bestuderen.’, oppert Jan Lauwereyns in het eerste fragment van zijn bundel Theorie van de rondworm, waarin hij de lezer meeneemt een laboratorium in waar een man door een microscoop wormpjes bestudeerde:

(..)
Hij zag de mogelijkheden
zich nu eens verscherpen,
dan weer terugtrekken

in het wazige, precies zoals
de minuscule rondwormen
dat deden,

onder zijn lenzen.

Eerder had hij het over ‘het conflictparadigma’:

kronkelend van de tegenstellingen,
de aantrekking en de afstoting

waarna hij de wereld van de waarnemer binnenstapt met:

de lekkere geur van boter, daar,
aan de andere kant van de petrischaal,
en de walgelijke koperen barrière, hier
recht voor zijn snoet.

De wormpjes vertegenwoordigen voor de dichter dus een stelsel van met elkaar samenhangende theorieën over ook in hem spelende conflicten:

Wormen die net hebben gegeten, zijn geneigd
om een plekje met veel lekker eten te verlaten
op zoek naar hermafrodieten.

Uitgehongerde wormen blijven bij het voedsel,
ook al is er geen enkele hermafrodiet in de buurt.

Maar laten we aannemen dat het mannetje
trek heeft in seks.

(Waarom anders binnenstappen bij Het Geheim?)

Hij golft er elegant op los.

Theorie van de rondworm is een uit losse fragmenten gevormd, niet chronologisch gestructureerd episch gedicht, dat de lotgevallen beschrijft van Drosselmeyer, een man van middelbare leeftijd, in relatie tot Clara, een jonge vrouw, met wie hij drie jaar eerder gedanst heeft. In de metrotrein onderweg naar huis in slaap gevallen, met schrik ontwaakt, een halte te vroeg uitgestapt, komt hij in de volgende trein achter haar te zitten:

(..)
Hij bleef veilig, onbereikbaar, buiten haar blikveld.
(..)

Dan volgt hij haar:

Hij doolde eenzaam als een wolk,
drijvend in de hoogte, onder de wassende maan,
toen een fragment van zijn denken loskwam, even bleef
fladderen, en neerdwarrelde op zijn schaduw
die langer en langer werd.

Dunne straten, steegjes, liepen elkaar voor de voeten.
Het oosten verwarde zich met het zuiden, hij was een paard
vrijgelaten in het veld,
in de diepte van de kloof die golven baarde,
in de hersenen als doolhof, de nieuwe huizen
in de karakteristieke woonbuurt,
onmogelijk te onderscheiden,
het waanbeeld van een rib die razende danste
in de herinnering aan zichzelf,
de figuur van een pasgeboren ster, die de wilde grassen
scherper deed oplichten tegen de schaduwen
de limieten van het veld.

In de verte schitterde Het Geheim.

(..)
waar vooral ‘s nachts hapjes voorgeschoteld worden,
aan eenzame mannen.

(..)
Wanneer breekt het ogenblik aan
waarop we het meervoudige van mogelijkheden zien?

Hij slaagde er niet in de ene
met de andere te verenigen.

Kon de onbevlekte ballerina van weleer
werkelijk een ordinaire bardame geworden zijn?

Ik ben zo vrij geweest om deze fragmenten in een chronologische volgorde te plaatsen, om toch maar iets te vertellen over het verhaal. Hoewel ik liefst zo snel mogelijk tot ‘De theorie van de rondworm’ kom, is het verhaal er zo ingenieus mee verweven, dat je er eigenlijk niets uit kunt missen:

Vluchtige synchronie verwees naar het rijmen,
naar harmonische resonantie, een kortstondig lied,
een gedeeld danspasje,
een op elkaar afgestemde terugkeer.

De onmiddellijke herhaling bevestigde het samenhoren.

Er zat betekenisvolle synchronie
in het moment waarop hij zich vergiste
(een halte te vroeg uitstapte)
en het moment waarop hij haar kwijt raakte
(bij Het geheim)

Beide momenten behoorden tot hetzelfde ‘nu’.

De ene scheur in de werkelijkheid
maakte de andere mogelijk,

de vergissing zette hem op het spoor van verkenning,
bracht hem in de ban van de wrede wiskunde
van genot.

(..)
Om zeventien minuten vóór middernacht
slikte hij zijn speeksel door en stapte eindelijk
Het Geheim binnen.

De ontmoeting met Clara in Het Geheim is bepaald ontluisterend door alles wat er omheen gebeurt. Hij verlaat Het Geheim en trekt naar de zee:

Hij liep langs de rand van de golven,
moest af en toe een stap opzij zetten,
een enkele keer zelfs springen,
om te vermijden dat het water hem te pakken kreeg.

Herhaling, terugkeer, opnieuw, hier iets en daar weer,
hij zag het in de golven.
Hetzelfde was niet hetzelfde, het baren deed iets
geboren worden, iets worden wat
niet helemaal gelijk was aan het vorige.

Elke herhaling bracht verandering teweeg,
hoe miniem ook.

Hij liep langs de rand van de golven, zette af en toe
een stap opzij, en moest zelfs een enkele keer springen,
om te voorkomen dat het water het denken
aan haar overspoelde.

Twee bladzijden daarvoor lazen we wat er zich in zijn hoofd afspeelde:

Het krioelde onder zijn schedeldak.

De wormen golfden in prachtige, hypnotiseerende
sinusoïden tot aan de koperen barrière.

Daar sloeg de chaos toe in het gehele lichaam van de C.elegans.

De kop, de staart en alle vlees daartussen,
het volledige bestaan van de worm
viel uiteen in autonome neigingen, die trokken en duwden
in tegengestelde richtingen.

Hij zoomde in en stelde scherp.

Het gewurm hield hem vast.

De titel van de bundel werkt als een focus. Het is alsof je door die lens de verrichtingen van Drosselmeyer volgt, om tot een paradigma te komen dat een logische samenhang toont, een verklaring geeft van zijn gedrag en van wat hem overkomt. ‘Wie waanzin wil begrijpen/ moet de beweging bestuderen.’ Je stelt scherp, stelt bij – Het waarnemen van bepaalde fenomenen kan verheldering geven van andere. Het leven van de rondworm laat iets zien van de wetten waaraan ook de mens onderworpen is. Herhaling en verandering blijken onafscheidelijk, en het heeft er de schijn van dat we door krachten die groter zijn dan wij, verleidelijker en sterker, worden voortgedreven. Of we dat nou leuk vinden of niet. We maken deel uit van hetzelfde leven als de wormen, al voor we naar de wormen gaan…

Een opmerkelijke, eigenwijze, humoristische en tot nadenken en herlezen stemmende bundel.

***
Dichter en neurowetenschapper Jan Lauwereyns (1969) debuteerde in 1999 met de dichtbundel Nagelaten sonnetten (genomineerd voor de C. Buddingh’-prijs). Daarna volgden de dichtbundels Blanke verzen (2001), Buigzaamheden (2002, bekroond met de Hugues C. Pernathprijs), Tegenvoetig, tweebenig (2004), de roman Monkey business en het essay Splash. Lyrische suite over biologie, ritueel en poëzie (genomineerd voor de Vlaamse Cultuurprijs). In 2007 verscheen Anophelia! De mug leeft. In 2008 publiceerde hij Vloeistof en welvaart, in 2011 gevolgd door Hemelsblauw (VSB Poëzieprijs 2012).
Theorie van de rondworm is het eerste deel van een door uitgeverij Koppernik uit te brengen nieuwe poëziereeks van vier bundels per jaar. In 2015 volgen verder nog bundels van Wiel Kusters, Breyten Breytenbach en Armando.Vijftien euro per deeltje, abonneren is mogelijk.

Geplaatst in Recensies.