Ingmar Heytze – De man die ophield te bestaan

Je maakt een kind

door Wilma van den Akker

De man die ophield te bestaan van Ingmar Heytze is de geheimzinnige titel van de tiende, of elfde bundel van Ingmar Heytze. Heytze (1970) publiceert veel en staat in mijn gedachten nog steeds bekend als de stadsdichter van Utrecht, al is hij dat officieel niet meer. De veertig van Heytzede persoonlijke bloemlezing, zijn eigen ‘draagbare jukebox’, is een verzameling die ik met plezier heb gelezen.

Er zijn weinig dichters die op mij zo sympathiek en menselijk overkomen als Heytze. Daarmee bedoel ik dat hij eerlijke en heldere poëzie schrijft, zonder poeha of pretenties. Hij is zelfs zo bescheiden dat hij achterin de man die ophield te bestaan een aantal regels en passages dat niet helemaal uit zijn eigen koker komt, verantwoordt.

Waakliedje

Mijn god · het kind · is een vergiet · aan alle kanten loopt het leeg · huilt in
je oor · waarom bestaan als het zó moet · je houdt het · voor je uit · boven de
grond die rustig wacht · op jou en haar · en wie nog komen gaat ·je armen
worden stijf · je geest stijgt op · voorbij de handen die de aarde dragen ·
bevend soms · van boven klinkt al eeuwenlang · gemummel dat we niet
verstaan · God heeft een zaklamp in zijn mond · die noemen we de maan

Achterin de bundel vermeldt Heytze dat de regel ‘God heeft een zaklamp in zijn mond’ verwijst naar een uitspraak van een astronaut van de Apollo 13. De opdeling van het gedicht werd hem ingegeven door een gedicht van Ramsey Nasr. Het voelt bijna als biechten: ‘Ik heb het echt niet allemaal zelf bedacht hoor.’ Heel zorgvuldig, ik vind het bijna jammer om achter deze geheimpjes te komen.

De man die ophield te bestaan beschrijft geen magische gebeurtenis, geen stervensproces, maar de geboorte van een vader in al zijn facetten, de romantische, maar vooral ook de aardse en alledaagse.  Het gedicht ‘Dochter’ begint zo: ‘Langzaamaan begin ik te begrijpen / dat we alle drie tegelijk geboren worden./’ Treffender kun je het proces niet beschrijven. De eerste regel is trouwens identiek aan het begin van een minder bekend liedje van Herman van Veen: ‘Langzaamaan begin ik te begrijpen / waar het allemaal om draait / alles draait om jou en mij / en wij, we draaien overal omheen. //’ Dit wist Heytze vast niet, anders had hij het wel in de verantwoording vermeld.

In heel gewone woorden raakt de dichter grote thema’s aan. Gewone woorden in krachtige, kernachtige zinnen. Maar o zo invoelbaar. Ja, ik houd van Heytze, een fijne dichter.

Nekplooi

Wanneer ben je maar beter dood?
Hoe groot is de kans op panisch kalm
een rolstoel door de straten sturen,
kwijlend op een trommel slaan,
op kreupel, gek, of half zo oud.

Hoeveel vingers steek ik op?

Je maakt een kind om te vergaan.
Ik was er zelfs soms liever niet geweest.
Maar dan, wie weet wie later naar
de sterren springt, de redeloze aarde
redt. Wie de nieuwe Breivik baart.

Vingers, zei ik. Vingers graag.

 

Geplaatst in Recensies.