LITERAIR E-MAGAZINE VOOR NEDERLANDSTALIGE POËZIE

Sven Staelens – samen apart

7 jul, 2015

Een eigen stem

door Yves Joris

Het is warm in de café De Nieuwe Vrede in Berchem waar de afgestudeerden aan de Antwerpse SchrijversAcademie op 26 juni uit hun eindwerk voorlezen. Sven Staelens lijkt een beetje nerveus wanneer hij het podium betreedt. Nochtans is hij als docent wiskunde gewend om voor een publiek te staan. Ditmaal is het echter anders: geen wiskundige bewijzen of axioma’s maar woorden die uit het hart komen. Van op een krukje in het café kijkt zijn echtgenote bewonderend toe: samen apart.

Gastheer van de avond en coördinator van de SchrijversAcademie, Xavier Roelens, nodigt na afloop van Staelens’ voordracht de aanwezigen uit om diens eersteling aan te schaffen. Inderdaad, afgestudeerd en onmiddellijk uitgegeven worden, het overkomt weinigen. Binnen deze traditie volgt Staelens in de voetsporen van andere oud-studenten van de SchrijversAcademie als Runa Svetlikova en Kris Van Steenbergen.

Staelens omschrijft zijn werk zelf als gesamplede poëzie. Hij gaat aan de slag met bestaande gedichten en schept opnieuw poëzie. Goedkope gimmick of doordachte taalcreatie? Staat u me toe om enkele gedichten onder de loep te houden.

Wens

Een lege plek. Een huis van rook.
Een wens. Een vrouw. En nog een wens.
Het zompige drogbeeld.

Zolang ik slapend in vuil ondergoed

de openbrekende
droom beheerste,
achtervolgde ik een grens.

Een vrouw.
En een wens.

Ondanks de – op het eerste zicht – gemakkelijke taal, is het gedicht niet bij de eerste lectuur toegankelijk. Is de lege plek waarnaar de dichter verwijst dezelfde waarin Kopland wil blijven? Bij Staelens is de lege plek een doembeeld, geen plek van rust. Daar zorgt een huis van rook wel voor. Een huis is normaal een fundament om te blijven, om een leven op te bouwen. De dichter herleidt deze standvastigheid tot een vluchtig gegeven. Let daarna ook op de dualiteit van ‘wens’ en ‘vrouw’. Is de vrouw zijn wens, of is er een fundamenteel gemis waardoor er naast de vrouw een wens blijft bestaan. Ik vermoed dat het gemis overheerst want nog in dezelfde versregel herhaalt hij de wens nogmaals. Dit is geen vrolijk gedicht. Zompig, drogbeeld, vuil ondergoed. Concrete en abstracte beelden walsen in een bedrukte rondedans.
Maar omdat ik een beter zicht wilde krijgen op de gesamplede poëzie legde ik de vraag voor aan de dichter zelf.

Ui

Ik kan een raadsel niet misbruiken
en daarna als iemand die van verveling
eten kan je rok in mijn vuist zuigen.

Ik kan geen generaties rozen doden
noch een stem tekenen op mijn tong
die afpelt als een vuile vorm van toon.

Wat ik wel kan: van je drinken
tot mijn bloed klinkt als kalk.
In je mond bijten als in een ui.

Dit gedicht dankt zijn ontstaan aan ‘Inblazing’ van K. Michel en ‘Hemelbed (het mijne)’ van Peter Verhelst. Toeval of niet, maar deze gedichten bevinden zich naast elkaar in Jozef Deleu’s Groot Verzenboek. Staelens omschrijft zijn proces als volgt: ‘Ik liet mijn blik over de gedichten, over de woorden glijden, koos een beginwoord en zigzagde door de tekst op zoek naar andere elementen om mijn tekst te schrijven. Na enkele combinaties (schrappen of eventueel opnieuw beginnen inclusief), kreeg ik meestal een beeld van de mogelijkheden. Ik bleef schrijven tot het gedicht een min of meer definitieve vorm had gekregen.’ Staelens stuurde me als bijlage ook de originele gedichten mee en ik kreeg er een dubbel gevoel bij. Langs de ene kant is het gemakkelijk om vanuit bestaand werk te vertrekken en je daarop te laten inspireren, maar langs de andere kant is het veel meer. Ik herken nog wel tekstflarden en woorden maar Staelens heeft er een totaal eigen invulling aan gegeven. Daarom besloot ik het gedicht opnieuw te lezen, maar dan zonder deze achtergrondkennis.

Qua vorm speelt de dichter in de eerste twee strofes met een negatie om dan in de laatste strofe al zijn demonen te ontketenen. In de eerste strofe ontregelt de laatste versregel. Ik vroeg me meermaals af of een komma geen oplossing zou geboden hebben, maar ik moet het antwoord schuldig blijven. Waar ik het wel moeilijk mee heb is de combinatie verveling eten kan. Dit is niet correct. In de context van het gedicht zou ik kan verwachten bij zuigen en niet bij eten. Uit verveling ga je obsessief eten, kunnen heeft hier dan geen enkele waarde. In de tweede strofe overheersen twee totaal andere beelden die ook hier weer voor verwarring zorgen. Wie heeft er al ooit een roos gedood? En dan vooral een generatie rozen. Met deze personificatie slaagt Staelens er perfect in om mij te laten stilstaan bij dit beeld. Ook de getekende stem op zijn tong is een meer dan geslaagd beeld, waarbij hij een ontastbaar gegeven (stem) omtovert in een concrete vorm (tekenen). In de derde versregel is naar mijn mening net iets teveel moeite gedaan om begin- en middenrijm toe te voegen, waardoor klank wint van inhoud.  De derde strofe is voor mij te abstract. Bloed dat klinkt als kalk en in een mond bijten als in een ui? Ik kan me er weinig bij voorstellen, maar het klinkt in ieder geval mooi.

Voor de meeste gedichten in deze bundel gelden bovenstaande opmerkingen. Staelens tovert prachtige zinnen uit zijn pen (‘je vlees verdween in mijn heden’, ‘op de wenteltrap van werkelijkheid’), maar soms gaan de woorden met hem aan de haal. Ligt het aan de samplemethode waardoor hij zichzelf in een keurslijf moet wringen, of wil hij nog teveel zeggen in te weinig woorden? Momenteel krijgt deze debutant het voordeel van de twijfel, maar ik hoop dat hij snel zijn eigen stem vindt, want die zal mooier klinken dan de samples van anderen.

***
Sven Staelens (1979) schrijft proza en poëzie. In 2015 rondde hij de SchrijversAcademie Antwerpen af. Samen apart is zijn debuutbundel, hier te bestellen.

     Andere berichten