Frans van der Linden – ‘O, gouden, stralenshelle fantazie!’ Bloemlezing uit de poëzie van Louis Couperus

Illuzie is behaagziek als een vrouw

door Joop Leibbrand

Louis Couperus (1863-1923) leeft voort als een van onze grootste romanciers, maar hij had gedurende een groot deel van zijn literaire carrière ook de ambitie als dichter te slagen. Relatief lang voor de verschijning van zijn eerste grote romans (Eline Vere, 1889, Noodlot, 1890) publiceerde hij lyrisch werk: Een lent van vaerzen, 1884, Orchideeën, 1886 en daartussen schreef hij nog de kinderoperette De schoone slaapster in het bosch. In 1895 verscheen als laatste bundel Williswinde, met werk van voor 1891, maar na een periode van ‘zwijgen’ die alles te maken gehad zal hebben gehad met het uitblijven van algemene erkenning – vooral van zijn generatiegenoten de Tachtigers en dan met name van Kloos, die sprak van ‘literaire trash’ – schreef en publiceerde hij vanaf 1903 in het tijdschrift Groot Nederland toch weer poëzie. Hij had zelfs het ambitieuze plan voor een episch-lyrische sonnettencyclus, Endymion, van 250 gedichten. Hij realiseerde er uiteindelijk 54.

Dat hele dichterlijke oeuvre leidde tot voor kort een verborgen bestaan. Komrij nam in zijn grote bloemlezing één gedicht van hem op, ‘Baadster’ uit Een lent van vaerzen:

BAADSTER

Een blanke nymf steeg ze uit het marmren bad,
En toefde op de eerste treê; heur armen beurden
En wrongen ‘t blonde hair, dat druipend-nat
Nog van den amber der violen geurde.

Hoe ‘t rozig-blond van ‘t blozend rozeblad
De sneeuw haars teedren lichaams warmer kleurde,
Terwijl van paerlen vloeyende en omspat,
Zij lelie was, die in den dauwe treurde!

Daar stond ze, steunende op het slanke been,
Zoo, dat bevallig zich de heupe rondde,
Nu de armen hoog de dartle lokken bonden.

Daar stond ze, glanzend-wit als marmersteen,
Geheel omsluyerd in den korenblonde:
Antieke vaes met gouden veile omwonden.

Warren en Molegraaf kozen voor de zevende editie (2005) van Spiegel van de moderne Nederlandse en Vlaamse dichtkunst voor ‘Nachtbloesems I’, ook uit Een lent van vaerzen, terwijl hun voorganger Victor van Vriesland het vijftig jaar eerder ook al bij één gedicht liet, een van de sonnetten uit de reeks Dionysos-studiën. Bij het aantreden in 1960 van Paul Rodenko als samensteller van de bekende bloemlezing Dichters van deze tijd werd Couperus daaruit geschrapt, bijna definitief uit de tijd geplaatst dus. Wel verscheen nog in 1964 de door Marc Galle samengestelde bloemlezing Schimmen van Glans, maar die is sinds lang onvindbaar.

Als deel 24 van de PROMINENT-reeks van de Baarnse uitgeverij TIEM is nu de uitgebreide bloemlezing ‘O, gouden, stralenshelle fantazie!’ verschenen, bezorgd door Couperuskenner Frans van der Linden, die een informatieve inleiding schreef en de gekozen gedichten, waaronder vrij veel van het ongebundeld gebleven werk, vooraf laat gaan door inleidend en toelichtend commentaar.

Het feit dat het nodig is een vier bladzijden tellende woordenlijst toe te voegen, is een indicatie dat Couperus met zijn in zeker opzicht archaïsche taalgebruik inmiddels ver van ons afstaat. Hij is een ‘mooischrijver’, een estheet pur sang, maar ik denk dat eerder de sterke invloed van de klassieken en vooral de vele verwijzingen naar de Romeinse godenwereld hem voor de moderne lezer moeilijk maken. Waar hij daarmee aan de ene kant voor ons te ernstig is, kan hij in andere gedichten weer heel simpel zijn, bijna kinderlijk, zoals in het sentimentele en uiteindelijk best grappige gedicht dat Warren en Molegraaf kozen. Van der Linden selecteerde het niet.

NACHTBLOESEMS

I

In dons van wolkjens glijdt ginds
De zilveren sikkel der maan;
Die schijnt een gondel, een bootjen,
Dat vaart op de blauwende baan.

De wolkjens schijnen de golven,
Witgekuifd, met luchtende tint,
En de starren zijn zoo schoone leliën
Als niemand op aarde vindt.

Was die gondel mijn levensbootjen,
Ik nam je, mijn lieve, er in meê,
En wij zwierven daar hoog in den hooge,
Alleen op de onmeetlijke zee.

En had ik genoeg van je zoentjens,
Genoeg woordjens van liefde gehoord,
Ik nam je, een, twee, drie, in mijn armen,
En…gooide je over boord!

Duidelijk is dat Couperus ook als dichter een vakman was en als zodanig eigenlijk best eerherstel verdient. Zijn vormbeheersing is groot, de sonnetten schrijft hij schijnbaar moeiteloos, zijn taal is virtuoos, al zal het etiket ‘al te precieus’ altijd aan hem blijven kleven, zijn fantasie lijkt onuitputtelijk en als ‘verteller’ weet hij regelmatig zo te boeien dat je het gekunstelde van zijn taal voor lief neemt, ja zelfs gaat waarderen, omdat het zo authentiek is. Neem dit gedicht uit de Endymion-reeks:

XI

Toen Lysia twaalf was, is zij plots verdwenen,
En ‘k vroeg mijn ouders: ‘komt zij niet weêrom?’
Inias, dertien, op de punt der teenen,
Verdween in dicht gedrang en menschendrom.

‘k Bleef een paar dagen om mijn zusjes weenen;
Mijn ouders troostten mij, zeiden: ‘Kom, kom!’
Zij wisten wel, waar beiden waren henen.
Ik was nog heel klein, en ik was nog dom.

Voor Lysia kregen dertig ptolomeeën
Mijn ouders en zij waren heel tevreeën;
‘k Geloof, zij kregen niets voor Inias;
Die was gevlucht; zij deed haar eigen zaken;
Mijn ouders zeiden: goed zoû zij ‘t niet maken,
Omdat zij een ontaarde dochter was.

De cyclus Nachten uit 1908 zou de laatste poëzie kunnen zijn die Couperus geschreven heeft. In zijn toelichting wijst Van der Linden op het sombere karakter ervan, maar hij gaat niet in Bastets veronderstelling mee dat daaraan een depressie ten grondslag lag. De ontgoocheling waarvan sprake is, zou eerder ‘gewoon’ het literaire thema zijn van de onverenigbaarheid van droom en werkelijkheid, van waarheid en illusie. Dat is van alle tijden, en daarom is dit, hoe gedateerd ook, uiteindelijk gewoon een modern gedicht:

NACHTEN

III

Wij, armen, late’ ons weêr en weêr bedriegen;
Illuzie is behaagziek als een vrouw;
Heur sluier veegt de wolken weg tot blauw
Het Niets weêr glimlacht, en de starren liegen.

Hoop blijft verlokkend ons met liedjes wiegen;
Verdwaasde minnaars, blijven wij haar trouw;
Onze ijdle ziel bindt zich na iedre rouw
Wieken weêr aan om ‘t drogbeeld toe te vliegen.

En wreede goden achter heemlenwelf
Spelen hun gruwzaam spel, wijl we ons verbeelden,
Tot ‘t Einde toe, dat ze als hun blanke beelden

Zoo goed en schoon zijn: beelden, die wijzelv’
Eéns dachten, bootsten, beitelden, en die
Onze eigen schoonheid zijn en vroom genie.

Niemand verwacht dat poëzieminnend Nederland nu en masse naar de boekhandel rent om de bloemlezing aan te schaffen. Zo realistisch zal de uitgever ook wel zijn. Maar wie de stap wel zet, zal zich beloond zien met een heuse ontdekking. Die van de interessante, verrassend goed leesbare dichter Couperus – mits je je aan zijn taal gewonnen geeft.

***
Frans van der Linden (1940) is medewerker van het Louis Couperus Museum. Hij bezorgde eerder de Prominentdeeltjes Herinneringen van een oude vader van John Ricus Couperus (deel 1) en Hofstad van Joh. W. Broedelet (deel 7), een sleutelroman die zich in Haagse kringen afspeelt en waarin Couperus onder de naam Poepjes een belangrijke rol speelt.

Geplaatst in Recensies.