Maarten van der Graaff – Dood werk

Van irritatie naar waardering

door Hans Puper

Maarten van der Graaff is een erudiet heer. Of een amusante lefgozer. Of beide. In Dood werk fungeert een lange reeks schrijvers, dichters, filmmakers en filosofen. Zij hebben invloed op zijn werk, hebben dat gehad, dienen als plaatsbepaling van zijn dichterschap, wekken zijn verzet op of zijn bentgenoten: Dorothea Lasky, Chris Kraus, Çağlar Köseoğlu, Léon Saarloos, Hannah van Binsbergen, Matthijs Ponte, Arno van Vlierberghe, Mathijs Tratsaert, Bert van der Beek, Max Czollek, Mina Pam Dick, Goethe, Bert Schierbeek, Friedrich Schiller, H.H. ter Balkt, Cathy Park Hong, CA Conrad, Pasolini, Emily Dickinson, Snoek, Pascal Mercier, Jack Spicer, Martijn Teerlinck, Kirill Medvedev, Ricardo Domeneck, Walt Whitman, David Foster Wallace, Gerrit Kouwenaar, Simone Weil en Yeats.
Dat is nog niet alles. Ik meen verwijzingen naar Vaandrager, Kopland en Lucebert te hebben gezien; van Ouwens weet ik dat zeker. En Jezus Christus ontbreekt natuurlijk ook niet – Van der Graaff is theoloog. Hij is overigens van zijn geloof gevallen: ‘Mijn geloof in Jezus is weggenomen door Jezus, / met zijn droevige koppetje. / Zijn wegneming en weigering / zitten ’s nachts met bebloede snuit / op mijn bed.’  Zijn jeugd op Flakkee is daarmee verder weg dan ooit.

Het vreemde is, dat al die verwijzingen me aanvankelijk irriteerden, maar bij herlezing steeds minder en op het laatst helemaal niet meer. Dat komt doordat Van der Graaff een onmiskenbare eigen toon blijft houden – tegen wil en dank:

Mijn stijl is van mij doordrenkt,
heeft alle onechtheid opgenomen.
Omdat mijn stijl mij niet kan verslaan,
word ik erdoor opgegeten.
Nu de kunst mij opeet
zoek ik de achterdeur of de binnenzak
van dat lichaam.

(Uit: ‘Lijst met doordrenkingen’)

Maar waarom toch zoveel? Voor een plaatsbepaling van je dichterschap of het aangeven van voorbeelden heb je veel minder namen nodig. Misschien is het heel simpel. In een Meanderinterview met Antoinette Sisto vertelt hij wanneer hij aan een gedicht begint: ‘Ik heb er gewoon zin in en dan ga ik het doen. En ik krijg vaak zin in schrijven als ik iets van een ander lees dat heel goed is. Zeker als ik het net ontdekt heb.’

Originaliteit speelt daarbij geen doorslaggevende rol. In hetzelfde interview zei hij over ‘Vrije encyclopedie’, de laatste afdeling van zijn debuutbundel ‘Vluchtautogedichten’: ‘Ik las [Jack Spicer’s] bundel Ten poems for downbeat en ben die gedichten vervolgens gaan vertalen. Dat wil zeggen: ik vertaalde ze half en begon zelf nieuwe dingen toe te voegen. Ze dienden als motor om zelf te gaan dichten. Zijn poëzie is direct en affectief, het sluit aan bij wat ik zelf wil schrijven.’ In Dood werk komt hij daarop terug. Het tweede deel van de bundel, bestaande uit negentwintig ‘Geklokte gedichten’, is een alleenspraak, gericht  tot Jack Spicer: ‘Bij het schrijven van de ‘Vrije encyclopedie’ / was je er, ’s nachts, toen ik boos en dronken opschreef / wat ik niet wilde opschrijven. / Vertaal mijn gedichten met je ogen dicht, zei je / en ik deed het.’
Enkele andere gedichten (of delen daarvan) in de bundel zijn ready-mades en die zijn in dubbel opzicht onorigineel:  het overschrijven van teksten en Barbarbertje spelen. En rekenen we dadaïsten als Kurt Schwitters ook mee: dan driedubbel.

Die onverschilligheid tegenover originaliteit ervaar ik niet per se als negatief. Interessant in dit kader is de opvatting van de Amerikaanse dichter Kenneth Goldsmith. Hij pleitte op Poetry International voor ‘Uncreative writing’. In een NRC-interview dat voorafging aan zijn optreden vertelde hij waarom: ‘In dit digitale tijdperk moeten we plagiaat omarmen’. Poëzie moet dringend naar de eenentwintigste eeuw worden gebracht: ‘Internet vernietigt saaie, voorspelbare fictie en de verheerlijking van auteurs, het herdefinieert auteurschap. ( … ) Wat mij betreft is er geen beter gedicht dan Twitter.’

Dat zoeken naar een herdefiniëring  van auteurschap vind je ook bij Van der Graaff, hoezeer hij ook verschilt van Goldsmith. In feite is de hele bundel een worsteling daarmee.

Aansluiting bij de traditie is geen optie. In het gedicht ‘Lijst met rituelen’ worden onder andere dichters begraven en komen de volgende regels voor: ‘Vernietiging heeft ons gekozen, / vernietiging heeft zich geopend. ( … ) ‘Vernietiging heeft ons gemaakt.’ ( … ) ‘Vernietiging gaat in ons op’ ( … ) ‘Vernietiging is onze mondigheid’ ( … ) ‘De geschiedenis laat mij blind achter.’

Maar hoe moet het dan wel? Aan de bundel gaan twee motto’s vooraf. Het tweede is van Chris Kraus en komt uit de roman I love Dick. Ik geef ook de regels die eraan vooraf gaan, het motto zelf is vetgedrukt. Als kunstenaars worden mannen en vrouwen verschillend beoordeeld: ‘To be female still means being trapped within the purely psychological. No matter how dispassionate or large a vision of the world a woman formulates, whenever it includes her own experience and emotion, the telescope’s turned back on her. Because emotion’s just so terrifying the world refuses to believe that it can be pursued as discipline, as form. Dear Dick, I want to make the world more interesting than my problems. Therefore, I have to make my problems social.

In het eerste deel beschrijft hij die ook voor anderen relevante problemen ‘systematisch’ in lijsten  – dat is dan ook de titel daarvan. Dat blijkt heel moeilijk te zijn. Het motto maakt zijn onvermogen soms pijnlijk duidelijk:

Mijn fascisme is dat ik niet weet hoe ik moet schrijven
over gemeenschap.
Ik maak openbaar dat Cathy Hong de poëzie gesegregeerd noemt
en dat ik niet weet hoe ik schrijven moet.
Dat ik hier verslag van doe.

( … )

Het is 2015 en ik maak openbaar
dat mijn kaken klemmen.
Ik doe het dode werk van een dode plant.

(Uit: ‘Lijst met openbaarmakingen’)

Of:

Nederland, ik schrijf je dit niet zomaar,
ik zoek naar je dood en gemeenschap.
Ik zoek naar je waarheid en haat.
Ik schrijf gedichten.
Ik ben in de war.

( … )

Ik word bedekt door steden en dorpen
En lig ‘s morgens dood in je bed.

(Uit: ‘Lijst met bedekkingen’)

Dat klinkt zwaar, maar Van der Graaff beschikt over meer registers. In het ‘Zesde geklokte gedicht, waarin een plan van aanpak wordt gemaakt’, komen de volgende fragmenten voor:

23:26                     Gebed tot de lichamen
van de gecanoniseerde dichters:
achterhaalde, in een hoek gedreven
aflijvigen, ik denk aan jullie!
( … )
En ik bid voor de tamboerijnen en luiten
die klinken vanuit de ovens
waarin jullie opgewarmd worden.
( … )
De wereld zal verpulverd worden,
de proefschriften over jullie
werk en leven
weggevaagd.

Geklokte gedichten zijn levendig, bewegen zich tussen ernst en humor, zijn soms helder, soms duister en zeer snel geschreven – Van der Graaf suggereert dit althans. Misschien is om die reden de tweede afdeling in een ander lettertype afgedrukt dan het eerste.
Met de nodige zelfspot beschrijft hij zijn werkwijze in het ‘Twaalfde geklokte gedicht, waarin ik het uitleg’. Ik parafraseer: je noteert de tijd, begint te schrijven en als je even zit te lummelen en vervolgens verdergaat, noteer je de tijd opnieuw. ‘Als je naar de wc moet of naar buiten wil / is het gedicht af.’ Je moet later niets, of bijna niets meer veranderen. En als je zijn voorschriften opvolgt, is de beloning groot: ‘Nu ben je een dichter. Creatief en ondernemend. / ( … ) Je bent een efficiënt spook van het modernisme.’

Hij geeft je als lezer alle ruimte: veel gedichten zijn polyinterpretabel (en vaak ook krijg je ze niet rond – geen bezwaar). Ik lees de volgende regels onder andere als een amusant pesterig recept voor poëticaal succes:

16.43                    Je moet ergens beginnen en ergens eindigen.
Het maakt uit waar je begint, als je graag wilt eindigen
als een belangrijk iemand.
De tafel van twee is belangrijk, als je belangrijk wil worden.
Het klappen van de zweep is belangrijk en de regels
bij de verschillende varianten van het spel verstoppertje.
16.44                   Verstoppertje is het mooiste spel.

( … )

De criticus krijgt in dit gedicht ook een mooie rol toebedeeld:

16.49                     Wie bij verstoppertje moet zoeken
– de beul –
kent de meeste angst.
Dat is een onvergetelijke ervaring.

 

Rest ons die eigenaardige titel van de bundel. Ik ervaar die als springlevend, ondanks het onvermogen waarvan de dichter regelmatig blijk geeft. Misschien ook beschouwt hij het gedicht als dood zodra het is voltooid. In het laatste geklokte gedicht zegt hij over zijn werk tegen Spicer:

23.45                   Jij gaat zo weg
En dan ben ik alleen
Met mijn verstijfde bruidegom.
( … )

Een reden tot pessimisme is dat echter niet. Het plezier in het dichterschap blijft, ondanks alles:

23.55                                       ( … )

Ik denk aan de toekomst
en hoe de alledaagse wereld van transacties
steeds verbouwd zal worden,
hoe ik steeds weer zal overgaan
in andere staten.
Daar denk ik opnieuw en opnieuw aan.
Gemeenschap, tijd, werk.
Het zuivere plezier van verandering.

 

Van der Graaff zal in de toekomst ongetwijfeld meer dood werk achterlaten en dat bevalt me.

***
Maarten van der Graaff (1987) debuteerde in 2013 met de bundel Vluchtautogedichten. In 2014 werd deze bundel met de C. Buddingh’-prijs bekroond. Hij is veel op de literaire podia te vinden en publiceerde poëzie en proza in o.a. De RevisornY, De Brakke HondDW&B en Het Liegend Konijn. Hij was medeoprichter van het online literaire tijdschrift Samplekanon.

Geplaatst in Recensies.