Een gedicht mag best veeleisend zijn

Jan de Bruyn (1959) publiceerde gedichten in De Brakke Hond, Gierik & NVT, Meander en het Liegend Konijn. Hij werkt voor de Antwerpse openbare bibliotheken. Hij zond drie opmerkelijke gedichten in en we vragen hem naar zijn bevindingen met de poëzie en de kunst.

Wat betekent poëzie voor je?
Poëzie zou je blik verruimen. Poëzie heeft geen economische waarde, zoals iedereen weet, maar zou een tegenwicht vormen tegen het misleidende taalgebruik dat politici en de media hanteren. Het valt ook op dat rond het schrijven van poëzie nog steeds een romantische waas hangt. Het zou een manier zijn om boven jezelf uit te stijgen, je grenzen te verleggen, wat overeenstemt met de idee dat een dichter verheven idealen koestert en bereid is om voor zijn kunst tot het uiterste te gaan. Ik heb er niet echt voeling mee. Voor elke kunstvorm geldt, naar mijn idee, dat teveel ernst en te weinig zelfrelativering moeten worden gemeden.
Ik probeer in een gedicht te spelen met licht en donker, droom en werkelijkheid. Een gedicht mag best veeleisend zijn. Een gedicht kan tegenstrijdige standpunten innemen of eigengereid met de logica omspringen om de lezer op het verkeerde been te zetten, maar het belangrijkste, lijkt me, is om met een treffend beeld, een vloeiend ritme of een elegant binnenrijm uit te pakken en geen zoutloos resultaat af te leveren.

Schrijf je met een bepaald doel bijvoorbeeld in het gedicht Futurismo? Heeft het met de stroming het futurisme te maken?
Ik doe vrij lang over een gedicht, in die zin dat ik het credo van een jaar kelder ter harte neem. Ik blijf aan een tekst schaven tot ik enkel de essentie overhoud. Het geheel moet beantwoorden aan een imaginaire vorm die de regels dicteert. Ik ben, maar dit terzijde, nogal huiverig om emoties in een gedicht toe te laten. Een gedicht verdraagt weinig of geen emotionaliteit, tenzij je zoals Gerrit Kouwenaar in de laatste terzine van zijn gedicht “woorden als deze” uit Totaal witte kamer – een wonder van geur, geluid en herinnering – erin slaagt om met ingehouden stem de aanwezigheid van een geliefde te evoceren.
Met Futurismo, een gedicht met een knipoog, waagde ik me aan het schrijven van een pastiche. Met het futurisme dat voornamelijk een pamflettistische en ideologische stroming was, heb ik geen affiniteit. De oorlogsretoriek, de verheerlijking van heldhaftigheid (‘vivere pericolosamente’), raceauto’s, lawaai en de voorstelling van de stad als één gigantische machinerie zijn voornamelijk het product van de overspannen verbeelding van een stel jonge snobs.
Hoewel ik geen welbepaald doel voor ogen had, werd het me duidelijk dat de idealisering van wetenschap en techniek actueler is dan ooit en dat ik ermee aan de slag kon. In tegenstelling tot de idyllische beginscène, waar de dieren nog min of meer in een natuurlijke habitat vertoeven, blijkt het paard in de slotregels nog slechts een feilbare loopmachine. Om die schijnbare tegenstelling plausibel te maken, moest ik een haarspeldbocht nemen en op een speelse manier de associaties met paardenconcoursen, ruiters en meisjesromantiek in het gedicht verweven. Het resultaat is wat het is.

Als ik je gedichten  lees dan denk ik aan het expressionisme. Is dit juist?
Ik heb een grote voorliefde voor het Duitse expressionisme, het surrealisme en het dadaïsme. Kunstenaars als Ernst Kirchner, Max Beckmann, George Grosz en Hannah Höch zijn me bijzonder dierbaar. Schilderkunst en fotografie, maar muziek in het bijzonder, zijn een constante inspiratiebron. Ik hou bijvoorbeeld van de etsen van de graficus René de Coninck (1907-1978), leraar aan de Antwerpse Academie, een vergeten kunstenaar, wiens droomwereld beïnvloed is door de Commedia dell’arte. Je mag je voorbeelden niet afvallen, vind ik, ook al evolueert en verfijnt je smaak zich met de tijd.
Een gedicht als Altiplanos, om terug te komen op mijn inzending, is behalve een poging om de taal zelf ter discussie te stellen, ook muzikaal ingebed. Altiplanos verwijst naar het hoogland van de Andes, maar is ook de titel van een compositie van de Frans-Algerijnse gitarist Pierre Bensusan. Op YouTube vind je een prachtige interpretatie door Ana Vidovic.

Welke stijl streef je na en welke gedichten behoren tot je favorieten?
Vorm en stijl zijn naar mijn gevoel onafscheidelijk. Het dichtwerk van Hans Faverey blijf ik herlezen, omwille van het soepele, elegante Nederlands. Gedichten als “Waar stil toen de abrikozenboom stond” uit Lichtval en vooral het onnavolgbaar heldere “Of, eenzelfde vooravond, begin juni” uit Zijden kettingen, waarin op een filmische, bijna documentaire-achtige wijze het verloop van een willekeurige gebeurtenis wordt vastgelegd, reken ik tot mijn favorieten.
Ik ben schatplichtig aan onder andere Gerrit Kouwenaar, Eva Gerlach, Gerrit Achterberg, Ed Hoornik, Mark Boog en Frank Koenegracht. Dichters als Luuk Gruwez en Menno Wigman apprecieer ik omwille van hun vakmanschap en hun unieke, eigenzinnige thematiek. Graag vermeld ik ook de Groningse dichter Jan Glas, wiens gedichten uit zijn bundel Als was zij mijn vrouw onlangs een enorme indruk maakten. Zijn laconiek surreële poëzie benadert vrij dicht het ideaal dat me voor ogen staat.

Treed je ook op?
Ik zie er niet tegenop om mijn gedichten voor te lezen. Ik doe het zelfs graag als de gelegenheid zich voordoet, maar je moet er ook het talent voor hebben, vind ik. Ik ken weinig goede dichters die hun poëzie, hoe bijzonder ook, overtuigend kunnen brengen. Menno Wigman, die ik al vermeldde, kan het voortreffelijk. Poëzieperformances zijn nochtans niet echt aan mij besteed. Ik heb het geluk gehad om lang geleden, in 1985 om precies te zijn, Lucebert aan het werk te zien op het Poetry International Festival. Zijn precieze, bijna hypnotiserende voordracht is me altijd bijgebleven.

Wat ga je in de toekomst doen met je poëzie of schrijven?
Ik heb nog geen bundel uitgebracht. Misschien wordt het tijd om er werk van te maken en een uitgeverij aan te schrijven. Het zou een debutant tot voordeel strekken daarbij diplomatisch te werk te gaan en bij voorkeur communicatiewetenschappen te hebben gestudeerd.

Beoefen je ook andere genres?
Enkele jaren geleden kwam ik in aanraking met de fascinerende wereld van de collage en fotomontage. Sindsdien ben ik door de microbe gebeten. Ik verkies schaar en lijm, hoewel veel hedendaagse kunstenaars digitaal werken.
Er zijn nogal wat verbanden te ontdekken tussen het schrijven van poëzie en het maken van collages. Beide disciplines vergen een open, intuïtieve ingesteldheid. Ook de stilistische overeenkomsten springen in het oog. Wat de poëzie betreft dragen witregels, een mooie regelval en een eenvoudige typografie bij tot de leesbaarheid. Een gedicht moet ook visueel aantrekkelijk zijn, vind ik. Op dezelfde manier vraagt een collage om een strakke kadrering of uitsnede, zodat de elementen waaruit de voorstelling is opgebouwd optimaal tot hun recht komen. Beide disciplines zijn voor mij complementair. Verwondering is het uitgangspunt.

Geplaatst in Interviews.