Gedichten

Brouwershaven

Geen kraai die nog weet
wie of wat Jacob Cats was.
Op zijn bevuilde hoofd
zit een meeuw met misprijzen
te kijken naar de mussen,
die vechten om wat kruimels
aan de vuile bronzen voeten
van de dichter, die zwijgend
voor zich uit staart.
Hij hoort alleen de schreeuw
van de meeuw en het lied
van het gewillig touwwerk
in de kille en verlaten haven.

Altijd de schoonheid

Naakt en ingetogen
knielen de jongelingen
voor elkaars schoonheid.
Ze kijken dromend naar
hun eigen spiegelbeeld
en de gestolde adem
van een beeldhouwer,
die zonder aarzelen
zijn opdringerige droom
aan de eeuwigheid toevertrouwde.

Ze heette Leah Perelstejn
en ze vreesde de Himmelstrasse,
oosters koud en doods.

Ze had angst voor de wind
en de stilte van de vroege gasten
die al die weg waren gegaan.

Haar broer en ook
haar vader leefden in de waan
dat zwijgen niet verbeterd kon worden.

Ook zij zweeg maar sprak toch
onhoorbaar vloekend,
omringd door de grijze horden.

Het schone zoekt ze niet meer,
en het goede en het ware evenmin.
Ze denkt alleen aan zijn en tijd.

Geplaatst in Gedichten.