Er is dan minimaal sprake van een ‘driehoeksverhouding’

https://nl.wikipedia.org/wiki/Martien_BeversluisRomain John van der Maele (1948) debuteerde in 1974 met de bundel ‘Dagboek van een paria’. Sindsdien verschenen er van hem zeven bundels, waaronder vorig jaar bij uitgeverij Kleinood & Grootzeer ‘Herfsttij van het verlangen’. Verder publiceerde hij essays en één novelle. Hij schreef kritieken en opstellen over poëzie in Leydraden, Kreatief, Kruispunt, Sic, Maatstaf, Diogenes, Mandragora, Schuim, Dimensie, enz. Sinds hij vanaf augustus vorig jaar recensies voor Meander schrijft, zijn er al verscheidene bijdragen van hem op onze site verschenen. 

Waaraan moet volgens jou een goed gedicht voldoen?
Bij een goed gedicht kun je moeilijk of helemaal niet achterhalen dat het ‘maakwerk’ is. De spontane, eerste versregel moet een natuurlijk aandoend vervolg krijgen, of anders gezegd: het schaaf- en knipwerk mag het vervolg van de zegging niet verstoren. Voorts hecht ik veel belang aan de begrijpelijkheid. Abstractie mag, als ze de lezer maar niet verjaagt.

Wat is de verhouding tussen een gedicht en een dichtbundel? Is een bundel meer dan een verzameling losse gedichten?
Een bundel kan uit een verzameling losse gedichten bestaan. Dan is er sprake van een anthologie, en die kwam en komt wel vaker voor, zelfs bij dichters met faam. Meestal streef ik wel naar een thematische bundel, waarbij de gedichten in deelcycli met een overkoepelende thematiek worden verbonden. Een voorbeeld: ‘Brouwershaven’ maakt deel uit van een cyclus over Schouwen-Duiveland.

Zie je verschillen tussen Nederlandse en Vlaamse poëzie?
Wat Nederland betreft, ben ik vertrouwd met het werk van dichters als Ida Gerhardt, Gerrit Achterberg, enkele Vijftigers, Johanna Kruit en Vasalis (die ik ten zeerste waardeer), maar de nieuwste Nederlandse talenten ken ik maar oppervlakkig, en ik kan dan ook moeilijk op algemene verschillen wijzen. Dichters zoals Marcel Wauters en Ben Cami hadden geen Nederlandse tegenhanger en Rutger Kopland had geen Vlaamse evenknie. Als ik dan toch op een verschil moet wijzen, dan wellicht dit: in Nederland is het gebruik van spreektaal in een gedicht meer aanvaard dan in Vlaanderen, hoewel dat onderscheid aan het verdwijnen is.

Heb je bij het schrijven van gedichten een bepaald beeld van de lezer? Of ga je uit van wat je zelf mooi vindt?
Naarmate ik ouder word, stijgt ook de leeftijd van de lezer die ik voor ogen heb. In de jaren 1960-1970 was ik een angry young man die vooral oog had voor sociale problemen en – wellicht als tegenwicht – de taal van de natuur. Enerzijds schreef ik protestpoëzie en anderzijds gedichten die mijn fascinatie voor de natuur in beeld brachten. Toen had ik dus jongere lezers voor ogen, kabaalmakers zoals tijdens de bewogen dagen in mei 1968 en jonge verliefden op zoek naar een locus amoenus.

En hoe zit dat bij het schrijven van recensies? Verplaats je je in de gemiddelde lezer van gedichten?
Bij het schrijven van recensies probeer ik me vooral in te leven in de taal en de thematiek van het te bespreken werk en daarna probeer ik mijn ervaring begrijpelijk te verwoorden voor lezers die belangstelling hebben voor woorden die hun gebruikelijke betekenis doorbreken. Eigenlijk lezers die zich de moeite getroosten om mijn ervaring te gebruiken wanneer ze zelf het besproken werk lezen. Op die manier wordt de ‘ontmoetingshorizon’ steeds uitgebreid. Er is dan minimaal sprake van een ‘driehoeksverhouding’ in plaats van een ‘tweegesprek’. Idealiter gaat de betrokken lezer daarna een gesprek aan met andere poëzieliefhebbers, zodat een intersubjectieve duiding kan ontstaan.

Heb je zelf ervaren dat de manier waarop je een gedicht leest door de jaren heen verandert? Het gaat uiteraard niet alleen om mijn eigen nieuwe manieren van lezen van een gedicht. Belangrijk is dat je als lezer in recensies of essays kennis kunt maken met een nieuwe invalshoek waardoor je eigen leeservaring verbreed of verdiept wordt, of net niet. Een leesresultaat dat op de helling wordt gezet, is soms belangrijker dan een gelijkgestemde vorm van verstaan. Vooral bij het (her)lezen van gedichten van Achterberg heb ik meermaals spontaan, of na lezing van een essay, mijn inzicht in een gedicht zien veranderen.

Heb je bij je eigen gedichten de neiging ze te herschrijven?
Eigen gedichten worden na de nodige rijpingstijd wel eens aangepast, vooral als het woordgebruik of het ritme onnatuurlijk aandoet. Een gedicht helemaal herschrijven doe ik niet. Mocht dat nodig zijn dan belandt het in de papiermand. In mijn beginjaren heb ik meermaals een hele cyclus vernietigd.

Je bent Master in de algemene cultuurwetenschappen. Helpt zo’n opleiding bij het lezen en schrijven van gedichten? Of zit die ook wel eens in de weg?
Bij het schrijven van gedichten heb ik nog nooit ervaren dat de opleiding enige invloed heeft gehad. Dat heeft wellicht te maken met de parlandostijl van mijn werk. Bij dat soort gedichten hebben rijmschema’s, stijlfiguren, metaforen en andere technische hoogstandjes weinig belang. Bij het lezen speelt de opleiding wel een rol: je gaat meer analytisch en vergelijkend te werk, en dringt op die manier meer tot de kern van een gedicht door. Dat heb ik vooral ervaren bij het bespreken van het gedicht ‘Morgenlijk verwachten’ van P.C. Boutens (artikel in Schoon Schip, maart 2007) en bij het lezen van gedichten van Vasalis en Ida Gerhardt. Eerlijkheidshalve voeg ik er aan toe dat de opleiding ook wel eens ‘in de weg zit’, in die zin dat ik steeds minder onbevangen ben gaan lezen.

Recensie van Herfsttij van het verlangen
Bijdragen van Van der Maele aan Meander
Geplaatst in Interviews.