Zelfs de machtigste mens kan diep vallen

Kujtim Morina is een Albanese schrijver, vertaler en diplomaat. Hij behaalde een master in Europese studies aan de Universiteit van Graz, Oostenrijk, en is momenteel ambassadeur in Koeweit. Morina publiceerde verschillende dichtbundels in zijn vaderland en meerdere gedichten in het Engels. In 2013 won hij de literaire Naji Naamanprijs in Libanon. Sander de Vaan spr@k met hem en vertaalde drie van zijn gedichten.

Hoe belangrijk is poëzie voor u?
Het is een wezenlijk onderdeel van mijn leven. Als ik geen gedichten van anderen zou lezen of zelf geen gedichten zou schrijven, zou ik iets heel essentieels missen. In de poëzie gaat het, meer dan in andere teksten, om de essentie van het woord. Ik leef samen met de dichtkunst. Zo nu en dan citeer ik voor mezelf verzen van allerlei werelddichters en dat kleurt mijn leven en maakt mij gelukkig.

Waar zit volgens u het verschil tussen een goed gedicht en een uitstekend gedicht?
Een uitstekend gedicht komt na lezing spontaan terug in je brein, het beklijft. Een goed gedicht is leuk om te lezen, maar dat is dan ook alles.

De dichtkunst leidt in veel landen een marginaal bestaan. Hoe staan de zaken er in Albanië voor?
In mijn vaderland liggen dichtbundels meestal ergens in een hoekje van een boekwinkel. Veel Albanezen schrijven gedichten, maar er springen er maar weinig uit. We ondervinden de nadelen van een taal van een klein land. Zelfs goede Albanese poëzie klinkt in vertaling een stuk minder mooi. Gelukkig zijn veel belangrijke werelddichters wél heel goed in het Albanees vertaald.

Welke verzen van een door u bewonderde werelddichter zou u hier willen citeren?
De Russische dichter Joseph Brodsky schreef ooit: ‘alleen as weet wat het is om tot de grond toe af te branden’. Het is namelijk nooit makkelijk om in andermans schoenen te staan. In het Albanees klinken deze verzen zelfs nóg mooier, omdat as en vuur in de vertaling samengebracht worden, waardoor het beeld nóg tastbaarder wordt.

Hoe begint u normaliter een gedicht?
Het begint meestal als een gevoel dat langzaamaan tot een obsessie uitgroeit, zodat ik wel moét schrijven om eraan te ontsnappen. Dat gevoel omvat een beetje van alles: beelden, woorden, situaties, enzovoort. Normaal gesproken begin ik niet met het plan om poëzie te schrijven, ik wacht tot ze spontaan ‘tot mij komt’.

Ik vind uw gedicht ‘Dat licht’ mooi. Hoe ontstond die tekst?
Ik heb in dat gedicht getracht het lot van de mens te verbeelden. De mens die tegelijkertijd zo sterk en zwak, eeuwig en tijdelijk, onvervangbaar en eenvoudig te vergeten is. Met name machtige mensen (in regeringen, bedrijven, religies enz.) zouden zich daar goed bewust van moeten zijn. Zelfs de machtigste mens kan diep vallen. En het leven gaat dan gewoon verder.

De twintigste eeuw kende vele oorlogen. Onze huidige eeuw lijkt er wat geweld betreft niet veel beter op te worden. De filosoof Adorno zei dat het na Auschwitz ‘barbaars’ was om nog gedichten te schrijven. Wat vindt u van de functie van poëzie?
Ja, helaas vinden er ook momenteel zeer bloedige conflicten plaats. De functie van poëzie is die van de kunst. Men heeft niet alleen materiële dingen nodig, maar vooral ook spirituele zaken en de vrijheid om zich dingen te verbeelden die men in het ware leven niet kan realiseren. Als poëzie verdwijnt, verdwijnt de gedachte, iets wat mij onmogelijk lijkt. Dankzij de poëzie kunnen we mediteren over het leven en betere, vreedzame oplossingen zoeken. Veel lezers lezen geen poëzie meer, maar daar staat tegenover dat in deze tijd, met al die nieuwe technologieën, het makkelijker is geworden om de wereld der poëzie te betreden dan die van het proza. Het lezen van verzen is als het drinken van een glaasje whiskey of een biertje terwijl je naar een eindeloze horizon tuurt. De fles hoeft dan helemaal niet meer leeg.

Geplaatst in Interviews.