Chrétien Breukers – De zomer haalt nog één keer uit

De drommelse brug

door Ivan Sacharov

Wil Breukers stiekem graag op Nijhoff lijken? Deze vraag zou men zich kunnen stellen bij het lezen van zijn nieuwste bundel De zomer haalt nog één keer uit. Hij koketteert in elk geval graag met de poëzie van die andere, om zijn vakmanschap geroemde collega-dichter:

DE WOLKEN

Je ligt, bijvoorbeeld, languit in de warme hei,
om een seconde later naar het westen toe gebogen
een voorwerp van de grond te rapen. Dat voorwerp
wordt een damestas of koffer, je richt je op en blaast

drie krullen van je voorhoofd af. Er komt een kudde
herten, grazend, even naast je staan, terwijl je steun
zoekt bij een stoel waarop je bijna tien seconden zit.

Mijn overburen, wolken, zorgen voor een film die zich
in flarden aan me opdringt, dat wil zeggen: als ik kijk.
Loom drijf je. Nog even en je bent de kade al voorbij.

Nou ja, stiekem. In dit gedicht ligt de invloed van Nijhoff er dikgesmeerd op. Maar dat is niet de enige reden waarom ik dacht wat ik denk. Breukers formuleert zijn zinnen soms, ook op plaatsen waar ik denk dat híj er níet aan denkt, op een manier die wel iets weg heeft van Nijhoff:

BRIEF

De zomer wordt geïmiteerd. Motorboten mompelen.
Nog meer dan twintig dagen en dan bijt ik mij door
wat er overblijft. Ik zwaai naar schippersvrouwen.
Genoeg gezien, tenminste, voor vandaag. Ik schrijf

straks een brief. Die leg ik op de stapel en verstuur
ik niet. Je krullen en je neus. Ik maak een foto van
het beeld dat niemand ziet. Drie kinderen gaan weer
naar school, de eerste bel is net gegaan. Ik kijk

ze na en draai me om. De vuilniswagen komt en stuurt
de geurvlag voor zich uit. Ik kan naar huis. Ik heb te doen.

Behalve dat De moeder de vrouw er een beetje doorheen vaart, doet dit gedicht vooral aan Nijhoff denken in de laatste regel, die qua toon enigszins overeen komt met de laatste regel van De nieuwe sterren. Weet u het nog? ‘Geen haan kraait. Geen hond blaft. De zon blijft uit.’ Dezelfde kortademige zinnetjes, waarin de gang van de taal hortend en stotend tot stilstand komt. Bij Nijhoff zit de kracht in het allerlaatste stukje, waar het onmogelijke mogelijk wordt gemaakt. Breukers gaat niet zó ver, maar ook bij hem zit het venijn in de staart. ‘Ik heb te doen’, kan betekenen dat de ‘ik’ nog veel te doen heeft, of er kan iets gebiedends in zitten, zo van: ‘ik héb het maar te doen’; of, en dat is misschien de meest aparte invalshoek: ‘ik heb (met iemand) te doen’: ik leef met iemand mee.
Interessant in dit gedicht is ook dat sommige regels op tactische plaatsen worden afgebroken en dat de lezer op het verkeerde been wordt gezet (een mooi voorbeeld is de tweede regel: ‘en dan bijt ik mij door’ betekent wat anders dan ‘en dan bijt ik mij door wat er overblijft’). Breukers kent zijn métier. Hij heeft de pech (of het geluk) dat zijn poëzie – net als die van Nijhoff – een grote mate van vormbewustheid uitstraalt. Dit zijn teksten waaruit een zekere hang naar traditie en ik zou haast zeggen burgerlijkheid spreekt.

Oei, oei! hoor ik een lezer denken. Betekent dit nu dat Breukers net zo’n groot dichter is als Nijhoff? Of dat Nijhoff net zo burgerlijk was als Breukers? Niet per se. Want hoewel men met een beetje goede wil Het lied der dwaze bijen kan lezen als een pleidooi voor burgerlijkheid, was Nijhoff met al zijn vormvastheid in zijn tijd niet zo zeer behoudend als wel recalcitrant.

Voor Breukers ligt dat anders. Misschien een pijnlijke constatering, maar het is lastig om je in deze tijd tegen iets af te zetten. De dichtkunst laat inmiddels zoveel stijlen, variaties in zich toe dat haast niemand ergens meer van opkijkt. Zeker de gevestigde orde niet. En het grote publiek heeft wel wat beters te doen dan zich druk te maken over wat alweer een navelstaarder lijkt.

Lijkt, want Breukers is allesbehalve een navelstaarder. Daar toont hij zich veel te aards en te weinig contemplatief voor. Deze bundel, waarin de dichter – volgens de achterflap – terugkijkt op twee liefdes die voorbijgingen verraadt hoogstens een ietwat romantische geest, die zichzelf soms nurks corrigeert en dan zijn toevlucht zoekt tot banaliteiten, of – en dat houdt deze gedichten enigszins in evenwicht – tot beschrijvingen die tegen het nostalgische aanleunen en zonder gelijk ‘dom’ te focussen op de bekende attracties een sfeervol beeld leveren van het leven in Utrecht:

HET VERBODEN RIJK

De buurman tuigt zijn zeilschip op. Ik zeil niet,
lees Het verboden rijk omdat me dat is aangeraden
door een vriend die ook niet zeilen kan. De kade
is vandaag ineens door herfst geslagen. Groen
wordt minder groen en alle jassen zijn van stal.

Twee duiven zitten op de heg, ze kijken van zich af,
daar is de fietsverhuur waar niemand fietsen huurt.

Dienst Stadswerken veegt gras en bladgoed weg.
Kon ik maar even opgeknapt, geschoffeld en met zware
borstels afgeboend. De heren werken zonder zin.
Een roeiboot met drie oude mannen schuift voorbij.

Aardig detail: Nijhoff voltooide zijn meesterwerk Awater in 1934, óók al in Utrecht (maar dat terzijde). Ik vind dit een mooi gedicht. Met meer inhoud dan misschien op het eerste gezicht lijkt. De plaats in de bundel is wat dat betreft informatief: het gedicht staat precies halverwege. Eén van beide liefdes is voorbij. En dat geeft een leeg (herfstig) gevoel. De ik-persoon heeft de wind van de liefde niet langer mee: hij zeilt niet. Een vriend met soortgelijke relatieproblemen (die ‘ook niet zeilen kan’) heeft hem een boek aangeraden. Het verboden rijk. Is dat het rijk van de vrouw? En ja, groen wordt minder groen als je door de wol bent geverfd. Twee duiven zitten op de heg en kijken van zich af: zijn dat twee tortelduifjes die elkaar niet meer aankijken? Het sterkste is misschien ‘de heren werken zonder zin’: het leven van een man is zinloos (zonder vrouw). Zo ongeveer zou ik dit gedicht interpreteren, maar men kan er natuurlijk ook gewoon in lezen wat er staat.
En die laatste opmerking brengt me weer terug bij Nijhoff. Nijhoff, de Mozart van de Nederlandse poëzie – waarom is Breukers dat niet? Een relevante vraag. Want door Nijhoff te knuffelen zet Breukers zichzelf een beetje in diens voetlicht.
Misschien omdat Breukers rancuneus is, zoals uit het gedicht dat volgt op Het verboden rijk blijkt:

HAAT

Ik weet niet waar ik met mijn haat naartoe moet.
De barbecue die op het schoolplein woedt,
een open dag voor ouders van het kind
dat Merel heet, of Jonathan, en de muziek weet
zelfs de buurman die nu klust te overstemmen.

Tegenover wordt een afscheid opgevoerd. Een man,
een vrouw, een zoen, voor vriendschap veel te zwaar.

Verderop wordt bij een beeldhouwwerk aan iets gedacht
door vijf bejaarden en een priester. Dit is een zondag
in een eeuw die zich nog plooien moet. Even later klinkt
uit de vermoeide kelen een gebed. Het mompelt onzegod.
Mijn haat maakt groene bliksemflitsen in de lucht.

Dat God en andere autoriteiten het moeten ontgelden waren we al gewend door eerdere bundels van Breukers. Rancuneuze mensen hebben de neiging de schuld altijd bij een ander te leggen en zichzelf in de slachtofferrol te plaatsen. Natuurlijk komt van zelfreflectie bij een dergelijke toestand weinig terecht. En dat is precies wat ik in deze bundel een beetje mis: Breukers eigen aandeel in het uiteindelijke falen van deze twee liefdes. Toegegeven: dit is in eerste instantie een puur inhoudelijke kwestie, maar staat gebrek aan zelfreflectie het ontwikkelen van een visie op den duur niet in de weg?
Ook architectonisch gezien is er een kritische kanttekening bij deze poëzie te maken: door in zijn bundel twee liefdes te beschrijven schept Breukers als het ware een schilderij waarop de horizon precies in het midden staat. En iedere schilder weet dat je dat niet moet doen. Ik vind er in deze gedichten ook geen overtuigende motivatie voor. Waarom twee als je met één kunt volstaan? Natuurlijk kunnen er in werkelijkheid best twee liefdes geweest zijn, maar dat is volkomen irrelevant voor de bundel als kunstwerk.
Tenslotte: door zichzelf hoogstens als een slachtoffer te zien en met zijn beschrijvingen verder aan de oppervlakte te blijven verbindt Breukers innerlijke en uiterlijke zaken onvoldoende met elkaar. Waar hij een beetje in het autobiografische blijft steken toont zijn grote voorbeeld Nijhoff een visie. Zelfs in zodanige mate dat het autobiografische element er nauwelijks meer toe doet.
Weinigen weten het, maar Nijhoff is nooit naar Bommel geweest om de brug te zien; hij had dat niet nodig: de brug zat in hemzelf.

***

Chrétien Breukers (1965) publiceerde naast andere publicaties de dichtbundels De rand van het domein (1989), Vandaag in deze stad (1991),De stoofsteeg en andere gedichten (1999), Korte geschiedenis van het voorafgaande (2005), Het beeld van Monsieur Jacques (2008),Tongebreek & niemendal (2008), Gysbert Japicx bezoekt het Drielandenpunt (2009), Het is niet anders (2010) enDe essentiële Chrétien Breukers in 11 gedichten (2013). Hij was mede-samensteller van Gedichten voor mannen en Poëzie voor vrouwen (2015).

Geplaatst in Recensies.