Rick Honings – De dichter als idool. Literaire roem in de negentiende eeuw

Een nieuwe invalshoek

door Hans Puper

De dood van Bowie en Prince leidde tot grote commotie, met name bij fans die een persoonlijke band met hen meenden te hebben. Fancultuur hoort bij het leven en dat is altijd zo geweest. Tom Lanoye schreef in de NRC van 21 april dat de nabestaanden van Shakespeare bang waren dat bewonderaars hem uit zijn graf zouden stelen en hem daarom op een diepte van zeven meter zouden hebben begraven – onjuist, maar mythen horen bij idolen. De grafsteen kreeg wel een waarschuwende tekst: ‘Blest the man who spares this stones / And cursed be he who moves my bones.’

De studie van ‘celebrities’ en hun fans is in de Angelsaksiche wereld redelijk ingeburgerd, maar nieuw in Nederland. De neerlandicus Rick Honings (1984) schreef er een boeiend boek over: De dichter als idool. Literaire roem in de negentiende eeuw. Hij onderzocht het imago van zes dichters en een prozaschrijver die zichzelf een dichter vond: Eduard Douwes Dekker. De dichters zijn Willem Bilderdijk, Isaäc da Costa, Elias Annes Borger, Hendrik Tollens, Nicolaas Beets en Piet Paaltjens, het heteroniem van Francois Haverschmidt.
Geen vrouwen. Er waren weliswaar beroemde schrijvers als Betsy Hasebroek en Geertruida Bosboom Toussaint, maar zij bleven als persoon op de achtergrond. Een uitzondering vormde Mina Kruseman, die nog steeds wordt beschouwd als een vroegtijdig icoon van het feminisme. Zij was kortstondig een celebrity: tussen 1873 en 1877. Mannelijke collega’s moesten haar niet. Ze was volgens Busken Huet een brutale meid die door haar slechte manieren een kwalijke invloed uitoefende op de literatuur.

De Romantiek, die aan het eind van de achttiende eeuw doorbrak, vormde een ideale voedingsbodem voor de ontwikkeling van een intensieve fancultuur. Het was immers een individualistische beweging van gevoel en verbeelding, artistieke inspiratie, originaliteit, authenticiteit, non-conformisme en, heel belangrijk, het geloof in het genie van de kunstenaar, waardoor hij boven de gewone mensen stond.
Bilderdijk en Multatuli vertonen de meeste van deze kenmerken en Tollens de minste. Na de Franse tijd was hij als ‘vormgever van de Nederlandse identiteit’ auteur van het eerste volkslied, dat nu in extreem-rechtse kringen opgang maakt: ‘Wien Neêrlandsch bloed door d’aderen vloeit, / Van vreemde smetten vrij, /Wiens hart voor land en koning gloeit, / Verheff’ den zang als wij’. In de negentiende eeuw had het lied die lugubere connotaties uiteraard niet: die ‘vreemde smetten’ sloegen op de Franse overheersing die nog maar een paar jaar voorbij was.
Bescheidenheid was de eigenschap die Tollens wilde uitdragen. Heel herkenbaar. Hoeveel BN-ers beroemen zich er nu niet op dat zij geen sterallures hebben, maar ‘heel gewoon’ zijn gebleven? Hun fans vinden dat prachtig: hun idool is een van hen.

Iedere casus is het lezen waard, maar het boeiendst vond ik het hoofdstuk over Bilderdijk en het meest verrassend dat over Isaäc da Costa.

Bilderdijk was een romanticus pur sang, dat is geen nieuws. De zorgvuldigheid waarmee hij zijn imago opbouwde is dat wel: hij profileerde zich als een genie, droeg een exotische tulband, koketteerde met melancholie en armoede en mythologiseerde het dichtproces: zijn verzen zouden gevoelsuitstortingen zijn die dankzij een goddelijke inspiratie kant en klaar op papier kwamen. De schijn van vertrouwelijkheid gaf zijn lezers het gevoel dat hij een intieme band met hen had.
Net als bij andere beroemdheden bestond er echter een behoorlijke afstand tussen Bilderdijk privé en de celebrity: hij was bijvoorbeeld niet armoedig en uit de vele doorhalingen in zijn manuscripten bleek dat het schrijven van gedichten ook voor hem een moeizaam proces was.
Zijn imago miste zijn uitwerking niet: hij werd op handen gedragen. Bewonderaars reisden naar zijn woonplaats in de hoop hem te ontmoeten, er werden lofdichten op hem geschreven, schrijvende fans imiteerden hem, portretten werden collector’s items, zijn begrafenis was groots en zijn woonplaats Haarlem werd na zijn dood een bedevaartsoort. Maar anti-fans had hij ook. Dat kwam vooral door zijn politieke en orthodox-calvinistische ideeën die ook toen al als reactionair werden beschouwd.

Ook Da Costa was een intrigerende figuur. Hij stapte over van het jodendom naar een orthodox-protestantisme van de zwaarste soort en profileerde zich als de eigentijdse Paulus die zoals bekend vóór zijn bekering als Saulus door het leven ging. Dat was te danken aan – wie anders? – Bilderdijk, door wiens ‘prediking en wandel God de Heere myne oogen open deed gaan voor het Evangelie Zyns Gezegenden Eeniggeboren.’ Zijn fans adoreerden hem, maar bij de meeste tijdgenoten was hij niet geliefd. Daar zat hij niet mee. Hij was iemand you love to hate en dat droeg in belangrijke mate bij aan zijn beroemdheid.
Lang geleden heb ik zijn verzamelde gedichten gekocht, maar dat was meer om de mooie oude bandjes dan om de poëzie zelf. Ik heb er nog eens in gebladerd en hij maakte me toch weer nieuwsgierig. Da Costa is van een heel ander niveau dan de rijmelaars Beets en Tollens.

Het hoofdstuk over Multatuli wekte aanvankelijk mijn verbazing: we kennen hem niet als dichter, maar Douwes Dekker typeerde zichzelf wel zo. Voor hem was poëzie het ‘albegrypend samenvatten van alles wat er voor den mens valt waar te nemen.’ Een schoonmaakster die haar werk goed doet is poëzie, een complex filosofisch systeem is poëzie, Multatuli zelf is poëzie.
De inhoud van het hoofdstuk stelt me enigszins teleur. De nadruk ligt op de beroemdheidscultus naar aanleiding van het verschijnen van de Max Havelaar. De literaire tournees zijn bijvoorbeeld buiten beschouwing gelaten, omdat die al uitvoerig zijn geanalyseerd en gedocumenteerd door Nop Maas. Ook het toneelstuk Vorstenschool wordt om die reden niet besproken, hoewel dat een enorm succes was. Ik vind dat vreemd. Van de verering van Beets was ook al heel veel bekend, maar die behandelt Honings in zijn geheel.

Volgens Honings zou Multatuli zijn Max Havelaar in vier weken hebben geschreven en hij staat daarin niet alleen. Toch twijfel ik daaraan. Het boek is zeer complex, de compositie is uitgebalanceerd en Multatuli speelde een ingenieus spel met lezersverwachtingen: de introductie van het Pak van Sjaalman – die enorme hoeveelheid documenten – sluit aan bij de toen heersende mode van de manuscriptfictie. Contemporaine lezers dachten daarom te beginnen aan een ‘gewone’ roman, maar ze kwamen er gaandeweg achter dat de Havelaargeschiedenis echt gebeurd moest zijn. Multatuli’s doel: ‘Ik wil gelezen worden’. Het publiek moest worden doordrongen van de slechte behandeling van de Javanen en daartoe achtte hij een spannend boek uitstekend geschikt.
In zijn monumentale biografie schrijft Dik van der Meulen weliswaar dat nooit is aangetoond dat Douwes Dekker langer over het schrijven van zijn roman heeft gedaan (p. 386), maar hij citeert in een voorgaand hoofdstuk (p.328) met instemming een van de andere biografen – W.F. Hermans – die stelt dat Dekker als assistent-resident ‘de gewoonte [had] aangenomen zijn ambtelijke missives tot stilistische kunstwerken te maken’ die ‘nagenoeg ongewijzigd’ in Max Havelaar konden worden opgenomen.
Bilderdijk schilderde zijn gedichten af als kant en klare gevoelsuitstortingen, terwijl hij in werkelijkheid eindeloos aan zijn gedichten sleutelde. Deed Multatuli iets vergelijkbaars om zijn imago als zwaarbeproefde messiaanse verlosser op de kaart te zetten? Dat is hem dan in ieder geval wel gelukt: hij werd tot lang na zijn dood als een heilige vereerd.

En de andere dichters? Ik geef een korte indruk.
Beets profileerde zich aanvankelijk als de Nederlandse Byron. Je zou hem een actieve fan kunnen noemen. Hij kleedde zich als de lord en schreef een paar werken in zijn trant. Hij haalde wel de scherpe kantjes van zijn voorbeeld af: hij bleef een brave christen. Toen hem die Byroniaanse jas niet meer paste, wierp hij hem weg en werd hij de dominee-dichter die hij de rest van zijn lange leven zou blijven.
De nu niet meer bekende Borger dankte zijn roem aan één gedicht: Aan den Rijn, in de lente van het jaar 1820, waarin hij beschrijft dat hij zijn doodgeboren dochtertje opgroef nadat zijn vrouw niet veel later gestorven was: ‘Ik heb mijn dochtertje opgegraven, / Toen ‘t pleit der moeder was beslist, / En lei het in de groote kist / En aan de borst, die ’t wicht moest laven’. Het feit dat hij jong stierf, zijn gedicht autobiografisch was en bovendien herkenbaar en goed te declameren, maakte dat hij na zijn dood een beroemdheid werd over wie allerlei mythen de ronde deden.

Piet Paaltjens was aanvankelijk populair bij Leidse studenten, maar na de zelfmoord van zijn schepper Haverschmidt steeg de belangstelling sterk: men zag de gedichten van Paaltjens als verhuld autobiografisch. Dat is ook aannemelijk: je zou Paaltjens kunnen zien als een afsplitsing van Haverschmidt. Hij had een eigen handschrift en voerde een correspondentie met werkelijk bestaande personen. Hij raakte langzaam op de achtergrond, maar in de tweede helft van de twintigste eeuw stond hij weer volop in de belangstelling. Ook hij had fans die in zijn trant schreven. De bekendste van hen is wel Lévi Weemoedt, het pseudoniem van Isaäck Jacobus van Wijk.

Het onderzoek naar fancultuur is interessant vanwege de nieuwe invalshoeken. De wisselwerking tussen de schrijvers en hun fans blijft niet zonder gevolgen. Reve zei bijvoorbeeld dat hij van zijn winkeltje moest leven. Wat betekende dat voor zijn werk? En, nu we het toch over Reve hebben, hoe komt het dat veel van zijn hartstochtelijke fans ook zijn criticus Hermans in hun armen sluiten, maar Mulisch een charlatan vinden?
Ikzelf ben opnieuw fan geworden van Bilderdijk – de dichter tenminste, niet de rabiate calvinist. Neem de schitterende regels die hij schreef uit ergernis over de verloedering van het Nederlands na de Franse periode: ‘Weg ‘t sijflend mondgebies en rochlend keelgegrom, / Weg ‘t klepprig kaakgekwak of snorkend neusgebrom, / Dat ge uitsist, spuwt en spritst met hakklend woordverslikken, / Belachlijk slangenbroed of varkensras! Verstom!’
Geweldig, nietwaar? Koop dit boek.

***

Rick Honings (1984) is universitair docent moderne Nederlandse letterkunde aan de Universiteit Leiden. Zijn onderzoek richt zich voornamelijk op de literatuur van de negentiende eeuw. Met Peter van Zonneveld schreef hij de bekroonde biografie van Willem Bilderdijk, De gefnuikte arend (2013).

Geplaatst in Recensies.