Hoop is de krachtigste drijfveer

Amnesty International start dit najaar een campagne voor vluchtelingen. Daan Bronkhorst, werkzaam voor de organisatie sinds 1979, verzamelde twintig gedichten over een thema dat momenteel in binnen- en buitenland de gemoederen flink bezighoudt.

Daan, iedereen heeft tegenwoordig de mond vol van vluchtelingen, en – helaas – lang niet altijd in positieve zin. Jij ‘ontdekte’ een verband tussen vluchtelingen en poëzie. Waar komt dat verband kort gezegd op neer?
In de vijftien dichtbundels die ik sinds 1982 voor Amnesty samenstelde, staan in totaal zo’n zeshonderd dichters en van hen heeft een derde een achtergrond als vluchteling of balling. Dat er erg veel poëzie van vluchtelingen is, heeft verschillende redenen. Vluchtelingschap scherpt je existentiële bewustzijn. Een vluchteling maakt ‘grenservaringen’ door in alle betekenissen van het woord, niet alleen de oversteek naar een andere cultuur of taal, ook de grenssituaties van wat leven en veiligheid bedreigt. Wat ook een rol speelt is dat je in poëzie gemakkelijker kunt spelen met de taal, ook als het niet je eigen taal is. En er zijn praktische omstandigheden: poëzie vereist minder ruimte en tijd dan proza. Sommige vluchtelingen schreven hun gedichten op sigarettenvloeitjes, etiketten of wc-papier. Of zelfs op zeep, dan leerden ze het gedicht uit het hoofd en wisten het vervolgens uit.

Wie zijn wat jou betreft de meest aansprekende dichters met een vluchtelingenverleden?
Uit het verleden dichters zoals Dante, Victor Hugo, Nazim Hikmet, Marina Tsvetajeva, Bertolt Brecht. Van de Nobelprijswinnaars onder anderen Nelly Sachs, Pablo Neruda, Iosif Brodsky, Czesław Miłosz, Herta Müller, Wole Soyinka. Dan een hele reeks dichters die andere grote prijzen kregen: Adonis, Mahmoud Darwish, Jack Mapanje, Taslima Nasrin, Adam Zagajewski. Onder de Nederlandse dichters is Jana Beranová een favoriet van me, ze is als tiener met haar ouders uit Tsjecho-Slowakije gevlucht.

Is er een reden waarom we in het voortdurende debat over vluchtelingen juist naar de poëzie zouden moeten kijken?
Gedichten van vluchtelingen en óver vluchtelingen geven vaak blijk van een grote urgentie om iets over mens en maatschappij te zeggen. Vluchten is een politieke zaak, de reden is immers politieke vervolging, maar het vluchten zelf is een universeel gegeven. In vluchten gaat het om de universele kwesties van lijfsbehoud, ontheemding, taalbarrières, cultuurkloof. Wat me in veel poëzie van vluchtelingen treft, is het anarchistisch karakter. Poëzie als daad van verzet. Gedichten van en over vluchtelingen zijn bijna per definitie tegen de keer. Ze gaan immers over situaties waarin de vertrouwde orde het heeft laten afweten. Een enkel gedicht kan misschien wel net zoveel zeggen als uren van debat. Neem deze verzen van Abdellatif Laâbi, geboren in Marokko in 1942, gevangen van 1972 tot 1980 en balling in Frankrijk sinds 1985:

Het gedicht vreest
de bedreigingen van vernietiging
en verzamelt stenen
voor het geval dat…

Kun je hier misschien nog een paar verzen van door jou bewonderde dichters citeren?
Twee klassiekers zouden in elk geval in mijn top-vijf staan. Bertolt Brechts ‘Over de benaming emigranten’ is uit 1937 en begint zo:

Altijd vond ik de naam verkeerd die men ons gaf: emigranten.
Dat betekent immers ‘die zijn weggegaan’. Maar wij
zijn toch niet uit vrije wil vertrokken
naar een land van onze keuze. We zijn toch ook niet
een land ingegaan om er te blijven, zo mogelijk voor altijd.
Nee we vluchtten. Verdrevenen zijn we, verbannenen
en geen thuisland, een ballingsoord zal het land zijn dat ons opnam.

De ‘Refugee Blues’ van W.H. Auden is uit 1939 en eindigt:

Ik droomde van een huis met duizend étages,
duizend deuren, duizend ramen stonden opengeslagen;
maar geen was er van ons, liefste, maar geen was er van ons.
Ik heb op een vlakte in de sneeuwstorm gestaan,
en tienduizend soldaten gingen af en aan;
zoekend naar jou en mij, liefste, zoekend naar jou en mij.

 Poolse dichters maken de laatste decennia ongeëvenaarde poëzie. Wyslawa Szymborska, die zelf nooit uit Polen wegging, schreef haar vluchtelingengedicht ‘Enkele mensen’ in de jaren 1990. Het einde daarvan:

Er zal nog wel iets gebeuren, alleen waar en wat.
Iemand zal hen tegemoetkomen, alleen wanneer en wie,
in hoeveel gedaanten en met wat voor bedoelingen.
Als hij kan kiezen,
wil hij misschien geen vijand zijn
en zal hij hen in een of ander leven laten.

Adam Zagajewski is in 1945 geboren in Lwów, nu in Oekraïne, en woonde twintig jaar in Parijs en daarna lange tijd in Amerika. Uit zijn gedicht ‘De vluchtelingen’ (1996):

Altijd is er een kar, of ten minste een kinderwagen
gevuld met schatten (een donsdeken, een zilveren beker
en de snel vervangende geur van thuis),
een auto zonder benzine achtergelaten in een greppel,
een paard (zal gauw worden opgegeven), sneeuw, veel sneeuw,
te veel sneeuw, te veel zon, te veel regen,

Choman Hardi  beschrijft in ‘Aan de grens’ (2004) hoe ze met haar familie uit ballingschap terugkeerde naar Koerdisch Irak, toen ze een meisje van vijf was. Later moesten ze weer vluchten, ze woonde twintig jaar in Engeland. Nu werkt ze aan een universiteit in Bagdad. Dat gedicht eindigt:

We wachtten tijdens het keuren van onze papieren,
het grondig inspecteren van onze gezichten.
Toen ging de ketting los om ons door te laten.
Een man knielde en kuste zijn modderige thuisland.
Dezelfde keten van bergen omvatte ons allemaal.

Vluchtelingen staan tegenwoordig in het middelpunt van de aandacht. Wat vind jij van de toon en inhoud van het huidige publieke debat over hen?
Er worden hier in de marges van het debat allerlei vreselijke verwensingen geuit. Die moet je strafrechtelijk vervolgen of anders negeren. Dat er debat en weerstand is, is verder heel begrijpelijk. Jarenlang zegt je overheid dat asielzoekers onbetrouwbaar zijn en dan wordt er plotseling zonder inspraak een centrum voor duizend van hen in jouw dorp gedumpt. Mensenrechtenorganisaties hebben felle kritiek op overheden, zoals in de asieldeal met Turkije, maar ook zij weten niet echt een manier om de enorme toestroom te verwerken. In elk geval niet die rond de Middellandse Zee. De essentie is: het overgrote deel van de asielzoekers is net als jij en ik, ze willen dezelfde dingen, veiligheid, kansen. Dus kijk reëel naar wat kan. Wir schaffen das, ik zou geen betere manier weten om het te zeggen.

Amnesty luidt regelmatig de noodklok, niet alleen over de situatie in landen in oorlog als Syrië en Irak, maar nu ook bijvoorbeeld in Turkije. Verder hebben we Putin in Rusland en straks – wellicht – Donald Trump in de VS, die de laatste jaren hun machtsbasis naar het oosten, rond Rusland, hebben uitgebreid. Ben je ondanks alles optimistisch gestemd over de toekomst qua vredeskansen en – vooral – mensenrechten?
Sinds 1979 werk ik voor Amnesty. Is de wereld in de loop van de jaren gevaarlijker geworden? Dictaturen zijn verdwenen uit de meeste landen van Latijns-Amerika en Afrika, het Oostblok is gevallen, Saddam Hussein is weg en hij was verantwoordelijk voor honderdduizenden doden. Eind vorige eeuw waren er genocides in Bosnië, Rwanda, Congo. Ik ben liever realist dan optimist. De wereld is opener nu, er is veel meer besef van mensenrechten en paradoxaal genoeg heeft dat geleid tot enorme vluchtelingenstromen en terrorisme. Van wereldvrede zie ik het niet komen. Maar de hoop waarmee indertijd Obama president is geworden, die is er nog. Hoop is geen belofte, ze is wel de krachtigste drijfveer die er is.

Geplaatst in Interviews.