Idwer de la Parra – Grond

‘November ritselt waar de vogel zoekt.’

door Hans Puper

Idwer de la Parra (1977) is een gepassioneerd kruidenteler en tuinman en dat zie je terug in zijn poëzie. Natuur speelt een wezenlijke rol in Grond. Er is een kenner aan het woord: ‘In deze krat / liggen knollen te wachten, 88, ik heb ze geteld, / het jute, doorluchtig, bedekt ze.’ Zijn gedichten zijn beeldend, evenwichtig, bezitten door een bondige formulering een intrigerende spanning en daardoor heeft de bundel niets van een debuut. Neem het titelgedicht ‘Grond’, met die prachtige beginregel.

November ritselt waar de vogel zoekt.
Ook mijn geheugen blijft maar ritselen.
Mijn dochter zien, dat gaat nu niet.
Betegel dit mislukte broedgebied.

Het fluiten van de roodborst is gestopt.
De berkentak wordt zwart gelijk de kim.
Hier speelt de nacht het bed waar zij niet ligt.
Gooi deze grond met tegels dicht.

Er spreekt een grote wanhoop uit dit gedicht, het lijkt wel of de ‘ik’ moeite heeft met het uitspreken van de zinnen. Ze lopen niet vlot achter elkaar door, maar eindigen alle acht met een punt, waardoor pauzes nodig zijn. De vierde en achtste regel zijn varianten van elkaar en zouden bij een minder goede dichter geforceerd overkomen, maar bij De la Parra overtuigen ze volkomen. Zegt hij in regel vier ‘Betegel dit mislukte broedgebied’, in regel acht wordt het ‘Gooi deze grond met tegels dicht’: nog wanhopiger.
Wat is er met die dochter aan de hand? Is ze dood geboren en kan hij haar in zijn verbeelding nu niet tot leven wekken? Is hij gescheiden en ziet hij zijn dochter niet of nauwelijks meer? De dichter laat het in het midden; het is aan de lezer. Daarnaast vertelt hij niet, hij verbeeldt en doet dat op een treffende manier. Die tegels zijn een vondst.

Veel van zijn gedichten zijn klassiek. In ‘Maart’ beschrijft hij de levenscyclus. ‘Daar heb je er weer een’, zou je enigszins verveeld kunnen denken. Sinds het begin van de Romantiek hebben immers al talloze dichters hun wee geklaagd over een voorgoed verloren jeugd en naderende dood, onderwijl mistroostig herfstblaadjes voor zich uitschoppend. Toch zijn er dichters die een aloude thematiek zo behandelen dat die nieuw lijkt, Kloos bijvoorbeeld in ‘Doodgaan’: De bomen dorren in het laat seizoen, / En wachten roerloos den nabijen winter… / Wat is dat alles stil, doodstil… ik vind er / Mijn eigen leven in, dat heen gaat spoên.’ De la Parra kan het ook. Op het achterplat van de bundel wordt terecht een mooie passage uit ‘Maart’ geciteerd. Lees hem eens hardop, dan kan een betoog over zijn verstechniek achterwege blijven. Wie goed luistert, hoort een verre verwantschap met Gorter.

( … ) waar kiemend zaad

een komma vormt en sleedoornhout zich
dieper toont na nachtelijke regen – daar
is de merel een eenling die zichzelf vertrouwt

en niet met woorden nesten bouwt, maar fluitend
naar omstandigheden fluiten maakt
tot een omstandigheid. ( … )

Het gedicht bestaat uit zes drieregelige strofen; vier daarvan bestaan uit een natuurbeschrijving, en daarna wordt een ‘ik’ geïntroduceerd die zich afvraagt waar hij op afstevent. ‘Ontvouwt de haagbeuk / weer zijn origami, van bootje terug naar blad? / Wordt weer elke vouwlijn gladgestreken?’ Hij introduceert door de herhaling van ‘weer’ de cyclus en daarmee het doodsbesef. J.C. Bloem schreef in ‘Insomnia’: ‘elk wezen [is] zwanger van de dood, / En het voorbestemde doel van ‘t paren / Is niet minder dan de wieg het graf.’ De la Parra zegt het zo: ‘Staketsel kaardenbol, ruïnes van koningskaars – / talrijk zijn de poorten naar het einde, / en in die deernis ligt het slakke-ei al klaar.’
Klassieker kan het niet en toch is ‘Maart’ verfrissend nieuw.

Ik ben op twee gedichten ingegaan; ze zijn exemplarisch voor de hele bundel. Ontdek het zelf.
Een interview met De la Parra kunt u vinden op de site van Meander.

Geplaatst in Recensies.