Gedichten

Hors d’oeuvre

De grootste zwijger schrijft niet.
Hij stapelt woorden als een wering
waarachter het oorverdovend stil blijft.
Dat zwijgen is zeer hevig daar.
Het stuit, uit volle borst.
Aldus is deze stilte zo geletterd,
dat zij alles overstemt.
Want zij is niet opgelegd.
Er is geen zinsverduistering.
Zie: noch de ogen, noch de schreeuw
zijn gesperd.

Vier brieven aan mijn zoon.

1

Ze zijn negentien gebleven te Ieperen.
In Werchter zijn ze weer negentien.
De ene kluit is de andere niet.
En hun tenten, graven en koorts.

De tijd staat zo stil in jou,
tenzij hij suist als een schicht.
Soms slaat hij in, soms sluimert hij.
Maar altijd is hij slapende vennoot.

Laat ons drie tenten opslaan:
jij, wij en de letteren.
Op de zuidflank van Hill 19.
Laten we knetteren.

2

Voortdurend word je weer opgeroepen.
De middelen zijn beperkt, de overmacht groot.
Kuilen, kussens: daar draait het om.
En een ransel vol roze en blauw.

Er is een thuisfront met vrijgeleide,
binnen de perken van het marsbevel.
Je krijgt een arm, wees gerust.
We juichen bij een stelling weer ingenomen.

Deinzen en afzien is ook een tactiek.
Hoe ouder die oorlog wordt,
hoe kouder we hem in de ogen kijken.
Want jong is blind en luistert nauw.

3

Inpalmen, ach, waarom en voor wie?
In ‘s hemelsnaam zeer zeker niet.
Evenmin in een andere naam.
De koning is rijk als hij alleen maar kijkt

Met afstandsbediening, brieven en begrip.
Met je doornenkroon om je hoofd gevlochten
en je tatoes van verleden veldslagen.
Laat je niet zalven met psalmen.

Want jij kent de aarde, en de zwaarte
van haar kracht. Die blauwe bol draait
vierkant in het rond, tot nader order.
Ongehoord valt een man overboord.

4

Mondenvol hol modernisme alom.
Tussen steeds nieuwe splinters ben jij te vinden,
te rapen. In boeken tegen het bloeden
spoel je aan als drenkeling, enkeling.

‘Ten aanval’: hoe wrang, hoe bang.
Je wereld is schier een eiland.
De golven schuimbekken en bijten.
Landing, last minute of crash: alles kan.

Het waren ook astronauten te Ieper.
Ze floten in banen om hun hoofd,
gehelmd, getekend: negentien.
En nu jij, met de helm verloren

De gedichten komen uit Zwaartekracht (2017), uitgeverij Kleinood & Grootzeer

Geplaatst in Gedichten.