Carl de Stryker & Yves T’Sjoen (red.) – Leonard Nolens Handboek

Veelkantige eenzijdigheid

door Herbert Mouwen

Het Handboek over het werk van de dichter Leonard Nolens voorziet in een behoefte. Het draagt bij aan het toegankelijk maken van zijn oeuvre, zeker voor lezers die niet letterkundig geschoold zijn. De 29 artikelen die in dit boek zijn opgenomen, bespreken alle uitgegeven bundels (en dagboeken) van Nolens van zijn inmiddels al vijftig jaar durende dichterschap. Dat zijn 22 dichtbundels en de bloemlezing De liefdesgedichten van Leonard Nolens. Het boek is een leidraad voor de lezer en de onderzoeker. Het idee van een dergelijk werk is opgedaan in het Duitse taalgebied, waar ‘een reeks prestigieuze handboeken’ is uitgegeven van bekende auteurs, boeken ‘die dienst doen als inleiding en naslagwerk’. Het Handboek doet denken aan de Beschouwingen en interviews-reeks van Uitgeverij BZZTôH in de jaren tachtig van de vorige eeuw, met boeken als Over Maarten ’t Hart, Over Willem Elsschot en Over Nescio, dat eenzelfde opzet kende. De redacteuren van het Handboek wijzen er in het ‘Woord vooraf’ terecht op dat deze uitgave ook bedoeld is als eerbetoon aan Nolens dichterschap. In 2018 is Leonard Nolens een eredoctoraat verleend aan de Universiteit van Gent voor zijn toonaangevende dichterschap, een verlate (of te late?) hommage van de academische wereld aan het werk van de dichter. Alle grote literaire prijzen zijn inmiddels in Nolens’ bezit en bijna vanzelfsprekend valt in de inleiding een keer – de redacteuren kunnen het niet laten – het woord Nobelprijs.

Om het boek toegankelijk te maken voor de lezer die vat wil krijgen op het oeuvre van Nolens, is het chronologisch opgebouwd. Deze structuur geeft de lezer ook de mogelijkheid de inhoudelijke, stilistische en formele ontwikkeling van Nolens werk te volgen. Het ‘Woord vooraf’ bevat een verantwoording betreffende verwijzingen naar gedichten uit de bundels en het dagboekproza. In deze recensie bespreek ik drie bijdragen en maak ik ter afsluiting enkele algemene opmerkingen, waarin ik refereer aan andere besprekingen in dit Handboek.

Bert van Raemdonck stelt in zijn gelijknamige bespreking van Alle tijd van de wereld. Een poëtica vast dat auteurs die de teksten van Nolens onderzoeken vrijwel nooit gebruikmaken van deze bundel. Toch heeft deze bundel een veelbelovende ondertitel, die een persoonlijke poëtica suggereert. Van Raemdonck spreekt over ‘een zekere veronachtzaming’ van de bundel in de besprekingen van Nolens werk. Hij laat eerst de ontvangst van een aantal critici de revue passeren. Kort samengevat is de tendens van hun oordeel: cerebraal, langdradig, teveel herhalingen en er is kritiek op zijn eenzijdige absolute ik-gerichtheid in plaats van de gerichtheid op de ander. In zijn beschouwing betreffende de poëtica van de bundel gaat hij uit van de opbouw van Alle tijd van de wereld, waarin de volgende poëticale ontwikkelingslijn terug te vinden is: de dichter stelt ‘de lyrische ik’ tegenover ‘de ander’ en ‘de poëzie’ centraal; ‘de ander’ ondergaat daarin voortdurend metamorfoses, waardoor ook een ‘ik’ aanwezig is in zijn gedichten, die zich voortdurend ontwikkelt. Er kan bij de poëzie van Nolens gesproken worden van een continue vorm van zelfconstructie. De thematiek is complexer dan ik hier schets, ze bevat veel meer aspecten, maar de hierboven weergegeven poëticale ontwikkelingslijn is de kern van zijn poëzie en altijd in een bepaalde vorm aanwezig in zijn gedichten.

‘Door de taal verbonden. Leonard Nolens als dagboekschrijver’ van Matthieu Sergier is een belangrijk artikel in het Handboek, omdat de auteur de verbinding tussen Nolens poëzie en zijn uitgegeven dagboeken legt. Hij vindt de dagboeken, die een periode bestrijken van dertig jaar, oprecht geschreven en is verrast door de kenmerkende ‘verregaande intimiteit’ van de teksten. Niet voor niets zijn de dagboeken in het algemeen lovend ontvangen door de recensenten, die vrijwel allemaal de dagboekinhoud met de inhoud van de gedichten verbinden. De kritiek op de dagboeken richt op een ‘eenzijdige gerichtheid op het ik’, de ernst en een gebrek aan humor en relativering. Veel recensenten worden kort besproken en dat kan voor de lezer een uitnodiging zijn om de bespreking vanwege hun opvattingen daadwerkelijk te gaan lezen. Sergier gaat ook uitgebreid in op de existentiële functie van de dagboekliteratuur die vanuit het gezichtspunt van Nolens toegang geeft ‘tot grotere zelfkennis en een bredere kennis van het eigen schrijverschap’ en inzicht geeft in de verschillende ‘ikken’ in relatie tot de anderen. Ook wijst hij op de laboratoriumfunctie van het dagboek: het is voor de dichter een werkplaats voor nieuwe publicaties en experimenten. Ten slotte ziet Sergier een gevaar bij het dagboekgenre, omdat het niet alleen een weergave van het leven is, maar ook het leven zelf. De dichter evolueert naar een zuiver introspectief bestaan op papier, waarbij uiteindelijk volledige eenzaamheid op de loer ligt. Sergiers bijdrage geeft niet alleen inzicht in de dagboeken van Nolens, maar is tevens een theoretische bespreking van het dagboekgenre op zich.

Hoewel de dichter ontkent geïnteresseerd te zijn in de verschillende varianten van zijn gedichten in de achtereenvolgende bundeluitgaven, blijkt uit tekstvergelijkingen het tegendeel. Zijn oudere poëzie is in latere uitgaven ingrijpend veranderd. Dat toont Yves T’Sjoen in zijn ‘Varianten bij Nolens’ aan. Hij spreekt over bijschaven van vroeger werk om na jaren – bijvoorbeeld door middel van via de verzamelbundels – een groter publiek te bereiken. Het herschrijven, weglaten en toevoegen is het geijkte procedé. T’Sjoen geeft Nolens als dichter die wijzingen doorvoert een prominente plaats in de Nederlandse literatuurgeschiedenis tussen namen van andere Nederlandse dichters, van wie hun gedichten ook veel varianten kennen. Hij geeft voorbeelden van verschillende drukgeschiedenissen van bundels, bespreekt de wijze van samenstellen van Nolens verzamelbundels en merkt op dat de prepublicaties in tijdschriften en bibliofiele uitgaven niet vergeten mogen worden. Hij gaat uitgebreid in op de effecten die deze veranderingen teweegbrengen. Dit artikel van T’Sjoen gaat verder dan het bespreken van de varianten in het werk van Nolens. Het is een bruikbare handleiding om de varianten van dichtbundels van welke dichter dan ook systematisch te onderzoeken.

Leonard Nolens Handboek is een rijk boek. Het bevat interessante besprekingen, analyses en bespiegelingen. Johan Reijmerink bespreekt het belang van de dichtbundel Manieren van leven in relatie tot ‘Nolens streven om een bres te slaan in het ogenschijnlijk onaantastbare universum van zijn geconstrueerde ik’. Piet Gerbrandy gaat naar aanleiding van het verschijnen van de bundel Bres in op Nolens onophoudelijke herbeginnen, dat onder meer tot uiting komt in het verschijnen van zes reeksen Bres-gedichten in vorige bundels en nu in deze bundel een fraai geheel vormen. Willy Vandeweghe doet in Nolens en de voornaamwoorden kwalitatief en kwantitatief onderzoek naar het gebruik van voornaamwoorden in zijn poëzie en vergelijkt de resultaten met de gegevens van andere dichters die hij in zijn bezit heeft.

Het Handboek is een prima verzorgde uitgave. Elk artikel heeft een eigen literatuurlijst. Van de auteurs van de bijdragen aan dit boek zijn personalia opgenomen en het boek bevat een persoonsregister met verwijzingen naar de pagina’s. Ik hoop dat er in de toekomst meer van dit soort handboeken verschijnen, wellicht gekoppeld aan prijzen of bekroningen van het werk van een auteur.

___

Carl de Stryker & Yves T’Sjoen (red.) Leonard Nolens Handboek. Uitgeverij PoëzieCentrum, 210 blz. € 25,-. ISBN 9789056553371

Geplaatst in Recensies.