Karel Wasch – Het geluid van denken

Broodrest in de zomerzon

door Maurice Broere

Karel Wasch is geen onbekende in literatuurland. Hij publiceerde naast negen dichtbundels, een roman, een aantal biografieën, monografieën over nijverheidskunst, recensies en essays in diverse tijdschriften.

Het geluid van denken is opgebouwd uit elf getitelde afdelingen van ongelijke lengte. De inhoud is divers. Er is onder andere een afdeling over de moeder en twee afdelingen over overleden vrienden. De meeste gedichten zijn langer dan tien regels, maar nooit langer dan een bladzijde. De titel is ontleend aan het gelijknamige gedicht en verwijst naar een opmerking van de zoon van de dichter. Wanneer de zoon zijn vader hoorde werken achter zijn typemachine hoorde hij hem als het ware denken. Dit soort waarnemingen en observaties komen we subtiel verwoord in de hele bundel tegen.

Zwart

De zwarte man loopt door je heen,
met zekere passen en een koord voor
onderweg, zijn schaduw is de overkant.

Dat had je nooit gewild, een prooi te zijn
met op het trommelvlies gekraak
van pas gelakte schoenen. Hoe hard je
rent, zijn tred is radslag in een schemerduister
dat snel valt. Vraag aan de schrille ochtend
of je droomde en je weet het antwoord
dat nooit meer klinkt als eigen stem.

Dit gedicht staat in de afdeling ‘Zwart verdriet’. Zwart staat in het algemeen symbool voor somberheid en dood. Als een zwarte man door je heen loopt, dan moet dat wel betekenen dat er sprake is van een sombere, wat depressieve stemming. De somberheid zit achter je aan. Als dat gevolgd wordt door ‘een koord voor onderweg’, dringt de gedachte aan suïcide zich op en moeten we de overkant opvatten als het dodenrijk.

Dan volgt een wending zoals je die in sonnetten tegenkomt. Dat had je nooit gewild: achtervolgd worden door angstvisioenen, waarvoor je rennend op de vlucht slaat. Waaraan je ternauwernood weet te ontsnappen, omdat ze sneller gaan dan jij, terwijl het steeds duisterder wordt. In de vroege morgen ontwaak je en je vraagt je af of je droomde. Je weet dat je droomde, maar je bent toch behoorlijk van slag.

In dat jaar, ik ben

Hij had besloten alleen
af te dalen in de stad,
met een zaklamp onderzocht hij
diepten, gangen, gewelven,
zelfs riolen. Zijn wankele
koers zette hij uit via bekraste
stenen en hij bepaalde met een op hol
geslagen kompas, gestolen van een
oom, zijn op verkeerde gegevens
gebaseerde positie. Ook zakte hij af
in oude kelders, waar carbonkleurig
water of slijmerig rioolvocht
uit het plafond sijpelde.

Vervolgens trok hij door een conglomeraat
van gescheurde leidingen en oude
aardewerken buizen naar een donkere
stenen geul, waar een stuk rioolpijp
dwars doorheen stak. Overal droop
vocht alsof de organen van de
aarde ontregeld waren en dit afgemeten
bloeden van een voortdurend
uitgestelde ondergang getuigde.

‘Ik heb geen idee waar ik ben!’
zei hij tegen de stilte. ‘Ik ben!’
zei een zachte stenen echo.

Bovenstaand gedicht staat in de afdeling ‘De stad’. Iemand is de stad in gegaan, waar gesloopt wordt of waar panden klaarstaan om gesloopt te worden. Het ziet er smerig uit en overal is vocht. Dan lijkt het alsof de ‘hij’ zelf door buizen en riolen gaat en nog steeds is overal vocht. Het voelt als de organen van een stad. Het lijkt wel of iemand in zijn eigen lijf is afgedaald door verwijzingen naar organen en bloed. Hij doet moeite de uitgang te vinden. Uiteindelijk komt hij tot de conclusie dat hij bestaat.
We zouden dit gedicht kunnen opvatten als een staaltje zelfonderzoek. Hij daalt af in zichzelf en probeert met beperkte instrumenten (een gestolen kompas) te zoeken naar het onbekende. In de tweede strofe gaat de hoofdpersoon de buizen en leidingen in en vraagt zich nog steeds af wie hij is, als hij dat uitroept, komt het antwoord als echo tevoorschijn. Hij bestaat.

Opzij

Mijn vrouw voert broodrest
aan de zwanen, erbarmen
is zij in de zomerzon, waar
vogels eten samen, slechts dons
en veren op het kalme meer. Ik
onbezonnen jongeling, een schaduw
op haar achtergrond weet: telkens weer
ontroert ze mij. Ze pakt mijn hand, ik
zie nu kruimels en haar glimlach
van opzij.

De titel is al opvallend, omdat die zou kunnen verwijzen naar het gelijknamige blad, maar doet dat voor zover na te gaan niet. Geen feministische tendensen te bespeuren. Het komt uit de afdeling ‘Het dansende landschap’. We zien een tafereeltje waarin een vrouw op een mooie dag brood voert aan de eendjes. Er staat broodrest, normaal gesproken zouden we het veel gangbaardere broodresten gebruiken. Wasch koos duidelijk voor het kortere broodrest, omdat het beter klinkt en het ritme van het vers ondersteunt. Heerlijk hoe hij de loomheid van zo’n dag weet op te roepen en de vogels op het water omschrijft als dons en veren. Die omschrijving suggereert ook rust en tederheid. De dichter kijkt toe en raakt ontroerd door de vrouw. Ze pakt hem bij de hand en neemt hem mee terug naar de werkelijkheid van kruimels en haar aanwezigheid. Een mooie observatie, heel herkenbaar: genieten van de serene sfeer en van een partner, even anders naar haar kijken en dan die glimlach.

Het geluid van denken is een bundel met poëzie die volwassen en rijp klinkt. Elk woord is raak, de dichter schuwt geen enkel onderwerp en geeft ons een originele kijk op de dingen, vaak op details. De lezer krijgt alle ruimte om te interpreteren, omdat hij ons niet expliciet in een richting duwt. Kortom, een bundel die de moeite waard is.
_____
Karel Wasch (2018). Het geluid van denken. In de Knipscheer, 73 blz. €17,50 ISBN 9789062655076

Geplaatst in Recensies.